De geschiedenis van telecommunicatie

historische telefoonsystemen

De definitie van telecommunicatie is: de wetenschap en technologie achter communicatie op afstand. De mogelijkheid om informatie snel, nauwkeurig en efficiënt over te brengen, is altijd een van de belangrijkste drijvende krachten achter menselijke innovatie geweest. Van de prehistorische mens die gebruikmaakte van rooksignalen tot de hooggeplaatste manager met een smartphone, communicatie blijft essentieel voor ons overleven en succes. De geschiedenis van de telecommunicatie illustreert onze onverzadigbare drang naar vooruitgang en loopt gelijk met onze groei als mensheid; hoe geavanceerder onze moderne beschaving wordt, hoe meer wijdverspreid en efficiënter de telecommunicatie wordt.

  • Prehistorische tijd: Vuren, bakens, rooksignalen, communicatietrommels, hoorns: Onze eerste pogingen tot communicatie op afstand waren bijzonder beperkt. De prehistorische mens vertrouwde op vuur- en rooksignalen en trommelberichten om informatie binnen een beperkt geografisch gebied over te brengen aan stammen in de buurt. Deze signalen moesten bovendien eenvoudige, vooraf afgesproken betekenissen hebben, zoals 'veilig', 'gevaar' of 'overwinning'. Ze moesten ook als alarmsysteem kunnen worden gebruikt om de prehistorische stammen te waarschuwen voor roofdieren of binnenvallende stammen.
  • Zesde eeuw voor Christus: Post: Cyrus II de Grote was een Perzische keizer in de tijd dat Perzië in de zesde eeuw voor Christus haar hoogtijdagen beleefde. Het keizerrijk was zo groot dat Cyrus grote moeite had om communicatie van het ene uiteinde van zijn rijk naar het andere te krijgen: Er wordt gezegd dat hij de eerste postdienst in de geschiedenis heeft gestart. Later ontwikkelden andere grootmachten in de Oudheid, zoals Egypte, Rome en China hun eigen postsystemen.
  • Vijfde eeuw voor Christus: Duivenpost: In Perzië en Syrië werden rond de vijfde eeuw voor Christus de eerste duivenpostsystemen ontwikkeld. Men ontdekte dat duiven altijd weer de weg naar hun nest terug weten te vinden, hoe ver ze er ook van verwijderd zijn. Reizigers namen duiven mee op hun reis, bonden boodschappen aan ze vast en lieten ze vervolgens los zodat ze weer naar huis zouden vliegen. De Romeinen gebruiken duiven later om de uitslagen van sportwedstrijden bekend te maken en de Egyptenaren gebruikten ze voor militaire communicatie.
  • Vierde eeuw voor Christus: Hydraulische semafoor: De hydraulische semafoor werd in de vierde eeuw voor Christus uitgevonden door de oude Grieken als een communicatiemethode. Deze bleek essentieel tijdens de Eerste Punische oorlog. De werking van het apparaat was vergelijkbaar met die van rooksignalen of bakens: er werd een netwerk van identieke containers op verschillende heuvels gebouwd waarin een verticale staaf dreef. Deze staven waren beschreven met vooraf bepaalde codes op verschillende afstanden van elkaar. Iemand die een boodschap wilde overbrengen liet dit de ander weten met een toorts. Vervolgens lieten ze tegelijkertijd water weglopen tot de staaf op de gewenste positie stond. Dit systeem had dezelfde beperkingen als rooksignalen: berichten moesten vooraf worden afgesproken voordat ze konden worden verzonden.
  • Rond 490 voor Christus: Heliografen (schildsignalen): Het gebruik van heliografen of schildsignalen werd voor het eerst gedocumenteerd tijdens de beroemde Griekse Slag bij Marathon in 490 voor Christus. Voor het verzenden van een heliograaf gebruikte men een gepolijst voorwerp, zoals een schild of spiegel, om zonnestralen te weerkaatsen. Dit geval is bijzonder interessant, omdat het gegeven signaal niet echt kon worden begrepen. Er waren van tevoren namelijk geen duidelijke betekenissen afgesproken.
  • Vijftiende eeuw: Semafoorseinen in de scheepvaart: Voor de vijftiende eeuw was het voor verschillende schepen erg moeilijk om met elkaar te communiceren. Daarna werden semafoorseinen met vlaggen geïntroduceerd. Hierbij werden codes gevormd door in beide handen een vlag vast te houden. De positie en bewegingen van deze vlaggen stonden voor een letter of nummer. Hierdoor konden vloten eenvoudig onderling communiceren.
  • 1672: Eerste experiment met een akoestische (mechanische) telefoon: De eerste die een akoestische telefoon maakte, was Robert Hooke in 1672. Hooke ontdekte dat geluid kon worden overgedragen via een kabel of touw naar een oor- of mondstuk. Het is niet duidelijk of hij zich destijds bewust was van de mogelijkheden van deze ontdekking, aangezien zijn aantekeningen erop wijzen dat hij het apparaat wilde gebruiken om muziek te maken.
  • 1790: Semafoorlijnen (optische telegrafen): De gebroeders Chappe, twee Franse uitvinders, maakten in 1790 het eerste optische telegraafsysteem. Ze gebruikten de semafoorseinen uit de scheepvaart hierbij als uitgangspunt. De optische telegraaf was een systeem van slingers die op een hoge locatie werden geplaatst, zoals op een toren of de kerktoren van een stad. De mechanische slingers van de telegraaf bewogen en gaven daarmee berichten door van de ene toren naar de andere. Het was het eerste telecommunicatiesysteem van Europa.
  • 1838: Elektrische telegraaf: Samuel B. Morse werkte samen met zijn vrienden Alfred Vail en Leonard Gale een de ontwikkeling van een telegraaf waarmee geluid kon worden opgenomen. Ze ontdekten dat, wanneer er twee modeltelegrafen aan elkaar werden gekoppeld en elektriciteit door een kabel werd geleid, het mogelijk was om berichten te sturen door de knoppen met bepaalde pauzes in te drukken of los te laten. Dit werd later bekend als morsecode en werd de basis voor moderne vaste telefoons.
  • 1858: Eerste trans-Atlantische telegraafkabel: Op dit punt in de geschiedenis hadden de meeste gebieden in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten telegraafstations en konden deze binnen de eigen landsgrenzen regelmatig met elkaar communiceren. Cyrus Field uit New York wilde echter de eerste trans-Atlantische telegraafkabel leggen en zo Engeland en de Verenigde Staten via telegraaf met elkaar verbinden. Dit project kende veel tegenslagen, maar werd voltooid in augustus 1858.
  • 1867: Signaallampen: In 1867 werden de eerste korte en lange signalen gegeven in de vorm van flitsen door signaallampen op zee. Het idee was afkomstig van de Britse admiraal Phillip Colomb, die het ontwerp van Arthur C.W, de uitvinder van de signaallamp, gebruikte. Hij implementeerde deze communicatiemethode naast zijn eigen code zodat de schepen in zijn vloot eenvoudiger met elkaar konden communiceren. De code leek erg op morsecode, maar uiteindelijk werd morsecode vaker gebruikt en raakte zo wijdverspreid.
  • 1876: Telefoons: Het jaar 1876 was erg belangrijk voor Alexander Graham Bell. Hij was naar de VS gekomen om les te geven aan doven, en was op zoek naar een manier om gesprekken elektronisch te verzenden. Ondanks dat zijn vrienden hem nauwelijks steunden, vond hij in maart 1876 de telefoon uit.
  • 1877: Akoestische fonograaf: Uitvinder Thomas Alva Edison boekte enorme vooruitgang op het gebied van geluidsopnamen en -verzending toen hij in augustus 1877 de eerste akoestische fonograaf voltooide. Hij probeerde eigenlijk het model voor de telefoon te verbeteren en voltooien. Toen besefte hij dat hij geluiden kon opnemen en afspelen door een naald aan het diafragma van de fonograaf te bevestigen en een cilinder van aluminiumfolie toe te voegen waarop de naald gesproken woorden registreerde.
  • 1880: Telefonie via fotofonen en lichtstralen: In 1880 besloot Alexander Graham Bell het geld dat hij had gekregen voor zijn uitvinding van de telefoon te gebruiken om een lab op te zetten en zijn uitvinding te verbeteren. Het resultaat was de fotofoon, een apparaat waarmee geluid kon worden verzonden via een lichtstraal. In wezen was Bell erin geslaagd het eerste draadloze telefoongesprek in de geschiedenis te voeren!
  • 1893: Draadloze telegrafie: Nikolai Tesla was in 1893 de eerste die erin slaagde om radiogolven draadloos te verzenden via een zender. Hij patenteerde zijn werk, wat een slimme keuze was, want niet veel later beschuldigde Guglielmo Marconi, een andere uitvinder, Tesla ervan dat hij zijn werk had gekopieerd. Tijdens de juridische strijd die hierop volgde, bleek dit niet waar te zijn. Tesla bleef met draadloze communicatie experimenteren en probeerde om een efficiëntere gloeilamp te maken.
  • 1896: Radio: Marconi liet zich niet uit het veld slaan door zijn nederlaag in de VS en bleef werken aan zijn eigen methoden om geluid draadloos te verzenden. In 1896 verzond hij voor het eerst draadloze signalen over grotere afstand. Het signaal werd twee kilometer verderop ontvangen. De ontvanger van het signaal zwaaide met een witte zakdoek om te bevestigen dat hij het signaal had ontvangen. Dit leverde Marconi een vermelding in de geschiedenisboeken op als degene die de eerste radio heeft gemaakt.
  • 1915: Eerste Noord-Amerikaanse transcontinentale telefoongesprek: We vinden Alexander Graham Bell wederom terug in de geschiedenisboeken in januari 1915, toen hij erin slaagde het eerste telefoongesprek van de ene Amerikaanse kust naar de andere te voeren met zijn assistent. Het was het eerste interlokale gesprek via een vaste lijn in de geschiedenis. Dit gesprek was belangrijk, omdat het interlokale gesprekken door het hele land een reële mogelijkheid maakte.
  • 1927: Televisie: Phillip T. Farnsworth schreef mediageschiedenis op 7 september 1927, toen hij het eerste werkende televisietoestel liet zien. Hij was op zoek naar een manier om afbeeldingen te verzenden. Hij ontdekte dat het mogelijk is om een afbeelding te versleutelen en toe te voegen aan radiogolven en deze vervolgens weer op een scherm te projecteren. Hiermee ontstond het eerste prototype van de televisie.
  • 1927: De eerste radiotelefoonservice tussen het VK en de VS: De eerste radiotelefoonservice tussen het VK en de VS werd in januari 1927 in gebruik genomen. In eerste instantie werden er nog radiotelefoons gebruikt, dus er ontstonden soms problemen met wegvallend geluid en ruis. In het begin gebruikte men slechts één circuit waarop ongeveer tweeduizend gesprekken per jaar werken gevoerd. De kosten voor een gesprek van drie minuten waren bijna $ 10.
  • 1930: Eerste experimentele videofoons: In 1930 besloot AT&T een experimentele, tweezijdige videofoon te maken. Hij werd de Iconophone genoemd. Hiermee konden mensen hun gesprekspartners in realtime zien en horen, en op hen reageren. Het idee was origineel, maar werd geen commercieel succes.
  • 1934: De eerste commerciële radiotelefoonservice tussen de VS en Japan: De eerste gesprekken via radiotelefoon tussen de VS en Japan vonden plaats in 1934. Hierdoor konden mensen aan beide zijden van de Stille Oceaan voor het eerst met elkaar praten. Helaas was de kwaliteit van de gesprekken door de afstand niet erg goed. Er was sprake van veel wegvallen en ruis.
  • 1936: Het eerste openbare videofoonnetwerk: De wereld stond aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog toen in maart 1936 het eerste openbare videofoonnetwerk tijdens een handelsbeurs in nazi-Duitsland werd geïnstalleerd. Het mocht elke dag tussen 8.00 en 20.00 worden gebruikt, 'alleen door Ariërs', en het bleef ook na het einde van de handelsbeurs geïnstalleerd.
  • 1946: Beperkte mobiele-telefoonservice voor auto's: In juni 1946 werd het eerste telefoongesprek vanuit een autotelefoon gevoerd. Southwestern Bell had het apparaat ontworpen. Door de installatiekosten en het beperkte aantal gesprekken was het mobiele netwerk erg beperkt.
  • 1956: Trans-Atlantische telefoonkabel: De eerste trans-Atlantische telefoonkabel met 36 circuits werd in 1956 gelegd. De kabel liep van Newfoundland naar Schotland. Hiermee werden telefoongesprekken veel minder duur dan met het oude radiotelefoonsysteem.
  • 1962: Commerciële telecomsatelliet: De Amerikaanse Communicatiesatellietwet werd officieel aangenomen in 1962, waardoor telecommunicatie eindelijk de ruimte in kon. AT&T was al bezig met het bouwen van hun satellieten en slechts twee jaar later draaiden er al zes telecomsatellieten van de organisatie rond de aarde.
  • 1964: Telecommunicatie via glasvezel: In 1964 publiceerden Charles Kao en George Hockham een paper waarin werd bewezen dat telecommunicatie via glasvezel mogelijk was, zolang de vezels die werden gebruikt voor het verzenden van informatie geen onzuiverheden bevatten. Dankzij deze ontdekking kon met een nieuwe blik worden gekeken naar de fotofoon van Alexander Graham Bell, een apparaat dat geluid kon verzenden via lichtstralen.
  • 1965: Eerste openbare, Noord-Amerikaanse videofoonnetwerk: In 1965 werd getest met de eerste beeldtelefoon. Deze telefoons heetten 'Mod I'-beeldtelefoontoestellen en in juli van dat jaar begon Union Carbide Corporation met testen voor het eerste beeldtelefoonnetwerk. In december dat jaar startte ook AT&T met vergelijkbare testen in een aantal van hun eigen netwerken.
  • 1969: Computernetwerken: In oktober 1969 werden de eerste gegevens verzonden tussen de knooppunten van het ARPANET, een voorloper van het internet. Dit was het allereerste computernetwerk en het was uitgevonden door Charley Kline en Bill Duvall.
  • 1973: De eerste moderne mobiele telefoon: Uitvinder Martin Cooper voerde het eerste mobiele telefoongesprek in 1973 met zijn rivaal bij Bell Labs, Joel Engel. Met de eerste mobiele telefoon kon een gesprek van maximaal dertig minuten worden gevoerd, en het duurde een jaar om de batterij weer op te laden. De telefoon werd uiteindelijk een prototype voor de eerste mobiele telefoons van Motorola.
  • 1979: De eerste satellietcommunicatie van INMARSAT van schip naar kust: In het jaar 1979 werd grote vooruitgang geboekt op het gebied van communicatie op zee. De International Maritime Satellite Organization (INMARSAT) werd opgericht om zeevoertuigen van betrouwbare communicatie te voorzien voor extra veiligheid en om zeemannen en passagiers de mogelijkheid te geven met iemand aan land te spreken.
  • 1981: Het eerste mobiele telefoonnetwerk: Het eerste commerciële, geautomatiseerde mobiele telefoonnetwerk werd in 1981 in Japan geïntroduceerd. Het netwerk was in 1979 oorspronkelijk alleen voor Tokio beschikbaar gesteld en werd daarna uitgebreid. Tegelijkertijd werd het Nordic Mobile Telephone-systeem geïntroduceerd in Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden.
  • 1982: SMTP-e-mail: Voor 1982 was het internet bijzonder veilig en bestond uit een beperkt aantal netwerkclusters in militaire, zakelijke en universitaire onderzoeksinstellingen. In 1982 schreef Jonathan Postel het Simple Mail Transfer Protocol en verlegde de focus op het gebied van internet van veiligheid naar betrouwbaarheid. Hij gebruikte de netwerken als een manier om elektronische post naar de ontvanger te sturen via samenwerkende hosts.
  • 1983: internet: Op 1 januari 1983 werd het internet officieel geboren. ARPANET stapte van haar oude Network Control Protocols (NCP) af en het Transmission Control Protocol/Internet Protocol (TCP/IP) werd de nieuwe standaard.
  • 1998: Mobiele satelliettelefoons: Het eerste satellietnetwerk met 64 satellieten werd in 1998 door een organisatie met de naam Iridium geïntroduceerd. Deze organisatie maakte ook de eerste draagbare satelliettelefoons, die kleiner en minder onhandig waren dan de traditionele 'Bag Phones'. Dit was een belangrijke ontwikkeling in de mobiele telecommunicatie en zou uiteindelijk leiden tot de moderne smartphone.
  • 2003: VoIP-internettechnologie: In 2003 konden telefoongesprekken worden gevoerd met een computer via internetprotocollen. Dit hield in dat er geen extra kosten meer hoefden te worden betaald voor interlokale gesprekken, omdat de bestaande computernetwerken konden worden gebruikt.

Neem contact op met Mitel