Faxserver

De servergebaseerde faxservice geïntegreerd op de applicatieskaart converteert binnenkomende berichten naar PDF-bestanden en verzendt deze naar de ontvanger als emailbijlage. Op welk punt uitgaande PDF-bestanden in e-mailattachments worden omgezet in faxberichten. Dit hoofdstuk behandelt alleen de configuratie van de faxserver. Voor het configureren van de gehele faxservice, dient u extra configuratiestappen uit te voeren.

Routering van inkomende faxberichten

DDI-nummers voor het ontvangen van externe faxberichten worden rechtstreeks gemonitord door de faxserver en zijn niet gekoppeld aan een oproepdistributie-element. De faxserver converteert faxberichten van het type Groep 3 fax naar een emailbericht met bijlage en stuurt deze naar de bestemming. Gebruik van de faxservice is gebonden aan faxlicenties.

Table 1. Faxserverinstellingen

Parameter

Uitleg

IP-adres en poort (alleen display)

Het faxservice IP-adres is identiek aan het applicatieskaart IP-adres. De permanent toegewezen poort is 9060.

Domeinnaam

De standaard domeinnaam is fax.local. Wijzig deze niet, indien mogelijk, na installatie van de faxcliëntapplicatie op de PC’s. Indien nodig moet u echter op elke PC het register als volgt aanpassen:

  • Start de faxcliëntsetup met het volgende parameterverzoek, waarbij u fax.local moet vervangen door de nieuwe domeinnaam: Aastra-Fax-Client-Setup32.exe /v“REG_ADDREXTFAXPREFIX=\”[SMTP:\” REG_ADDREXTFAXPOSTFIX=\”@fax.local]\””
  • Controleer de registeringang. Die moet als volgt zijn, met de nieuwe domeinnaam in plaats van fax.local: HKEY_LOCAL_MACHINE\SOFTWARE\Wow6432Node\Ferrari\fomclient\Outlook\Addin] "AddrExtFaxPostfix"="@fax.local"

Faxkoptekst

Voer hier de koptekst in die moet worden weergegeven op de fax.

Emailadres waarnaar foutmeldingen moeten worden verzonden

Voer hier het emailadres in waarnaar de faxserver foutmeldingen moet verzenden.

Exchange-toegangskengetal

Hiermee kunt u door het selecteren van een kengetal specificeren hoe een extern uitgaand faxbericht toegang moet krijgen tot de exchange

  • Voer het gebruikelijke exchange-toegangskengetal in volgens het nummerplan (landspecifieke standaardwaarde): Het kengetal wordt toegevoegd aan het bestemmingsnummer en de routering vindt plaats via de transitroute (in de standaardinstelling is dit route1). De gebruiker of gebruikersapplicatie kiest het bestemmingsnummer zonder een toegangskengetal en niet in een canonieke indeling. Voorbeeld: Kengetal "0" is de standaardwaarde voor de meeste Europese landen.
  • U voert een routekengetal in: Het kengetal wordt toegevoegd aan het bestemmingsnummer en de routering vindt plaats via de daarbij behorende route. De gebruiker of gebruikersapplicatie kiest het bestemmingsnummer zonder een toegangskengetal en niet in een canonieke indeling. Voorbeeld: Kengetal "173" is de standaard routeselectie voor route 4.
  • U laat het veld leeg: Er wordt geen kengetal gemaakt dat voorafgaat aan het bestemmingsnummer. De gebruiker of gebruikersapplicatie kiest het bestemmingsnummer met een toegangskengetal of in een canonieke indeling. De routering vindt plaats in overeenstemming met het geselecteerde bestemmingsnummer.

Maximale interne nummerlengte

Voer hier de maximale lengte van het interne oproepnummer in. De faxservice behandelt vervolgens elk bestemmingsnummer dat meer tekens bevat dan de hier ingevoerde tekens als extern oproepnummer en zal, in overeenstemming met de Kengetal voor inbeltoegang instelling, daar een exchange-toegangskengetal aan toewijzen.

Een bestemmingsnummer met minder of evenveel cijfers als hier ingevoerd, wordt behandelt als een intern oproepnummer: De faxserver controleert of een fax-DDI-nummer bestaat voor de bestemmingsgebruiker. Als dit het geval is, wordt het faxbericht geconverteerd en met een email naar de interne gebruiker verzonden. Als dit niet het geval is, wordt het faxbericht doorgegeven als een gewone oproep en krijgt de gebruiker de faxtransmissiegeluiden te horen wanneer deze opneemt.

SMTP-verzendadres (in plaats van het nummer)

 

Gebruik T.38

 

Route voor uitgaande gesprekken

 

Het maken en beheren van faxvoorbladen

U wilt uitgaande faxen voorzien van een voorblad.

U kunt maximaal vijf voorbladen uploaden en gebruiken. De voorbladen moeten beschikbaar zijn in RTF-indeling; ze kunnen ook afbeeldingen bevatten. Zorg ervoor dat de beelden een lage resolutie hebben. Gebruik geen kleuren bij het maken van het voorblad, want faxberichten worden altijd in zwart-wit verzonden.

  • Om een omslagillustratie te uploaden, klikt u op de Bladeren knop.

  • Voor het downloaden van een voorblad van de communicatieserver naar uw PC, klikt u op de Downloaden hyperlink.

  • Om een voorblad een naam te geven, vult u de naam van uw keuze in in het invoerveld van de tweede kolom.

Gebruik de volgende Plaatshouder om specifieke informatie aan te geven.

Table 2. Plaatshouder voor faxvoorbladen

Plaatshouder

Informatie

@@ZENDERNAAM@@

Naam van de afzender

@@FAXINITIATOR@@

Fax DDI

@@SMTPINITIATOR@@

Emailadres van de afzender

@@ONTVANGER@@

Faxnummer

@@ONDERWERP@@

Emailonderwerp

@@BODY@@

Emailcontent

@@DATUM@@

Datum van de faxverzending

@@TIJD@@

Tijd van de faxverzending

Instructies voor het instellen van de faxservice op de communicatieserver

U kunt de faxservice alleen instellen in expertmodus.

Om de faxservice op de communicatieserver in te stellen via een digitale netwerkinterface (ISDN / CAS of SIP), gaat u als volgt te werk:

  1. Installeer de faxserver in de huidige weergave en upload de voorbladen die u wilt gebruiken.

  2. Als u zich nog niet in de expertmodus bevindt, schakelt u nu over naar de expertmodus.

  3. Creëer de DDI-nummers voor het ontvangen van faxberichten en wijs de fax server toe als hun routeringsbestemming (Configuratie / Routering / DDI-nummers weergeven, Routeringsbestemming = FaxServer instelling).

  4. Controleer of de instellingen voor de DDI-interpretatie juist zijn (Configuratie / Routering / Trunkgroep weergeven, Basisnummer instelling en DDI-kengetal ).

  5. Controleer de gebruikersinstellingen om ervoor te zorgen dat een emailadres is ingevoerd voor de beoogde bestemmingsgebruikers (Configuratie / Gebruiker weergave).

  6. Selecteer een faxnummer voor elke bestemmingsgebruiker en wijs aan elk van hen het voorblad toe dat u wilt (Multimedia sectie, Faxmailbox / Faxnummer instelling en Voorblad instelling).

  7. Controleer de terminalinstellingen van de gekoppelde Groep 3 faxapparaten om ervoor te zorgen dat het Faxapparaat is ingesteld op een andere waarde dan Geen faxapparaat (Configuratie / Terminals weergave).

  8. Installeer de SMTP-server (Configuratie / IP-netwerk / Routering weergave) en vraag uw IT-beheerder om een SMTP-connector voor de Exchangeserver te installeren en het faxdomein in de Exchangeserver in te voeren.

  9. Installeer de faxcliëntapplicatie op de faxgebruikers-PC's. Hiervoor opent u de Configuratie / Multimedia / Cliënt-rollout weergeven, verzend de installatiekoppeling of start de installatie meteen als u vanaf de bestemmingscomputer werkt.

Om de faxservice op de communicatieserver in te stellen via een analoge netwerkinterface (ISDN / CAS of SIP), gaat u als volgt te werk:

  1. Volg de bovenstaande instructies stap voor stap 2.

  2. Wijs de faxserver aan als routeringsbestemming voor de faxtrunkgroep (Configuratie / Oproepenroutering / Trunkgroep weergave, Routeringsbestemming = Faxserver instelling).

  3. Voer als basisnummer de gehele externe oproepnummers van het faxtoestel in in canonieke indeling (Configuratie / Gespreksroutering / Trunkgroep weergave, Basisnummer instelling).

  4. Selecteer in de gebruikersinstellingen van de faxontvanger het ingestelde faxnummer en wijs de gebruiker een voorblad toe (Multimedia paragraaf Faxmailbox / Faxnummer instelling en Voorblad instelling).

  5. Controleer of een emailadres is ingevoerd (Configuratie / Gebruiker weergave).

  6. Ga verder met stap 7 van bovenstaande instructies.