Telefoon- en aansluitingsinstellingen

De parameters waarmee een telefoon/aansluiting wordt gedefinieerd in de communicatieserver kunnen hier worden gevonden. In de volgende parameter-gerelateerde uitleg hebben we het om redenen van eenvoud altijd over telefoons hoewel we soms over andere aansluitingen kunnen hebben.

Table 1. Snelkoppelingen naar de instellingen en instructies

Telefoontype

Instellingen

In bedrijf stellen

Mitel SIP-telefoons (Mitel SIP)

Mitel SIP-telefoons (Mitel SIP)

Mitel SIP-bekabelde telefoons registreren

IP-systeemtelefoons (IP)

IP-systeemtelefoons (IP)

IP-systeemtelefoons registreren

Digitale systeemtelefoons (DSI-AD2)

Digitale systeemtelefoons (DSI-AD2)

Een digitale systeemtelefoon in bedrijf stellen

Digitale systeemtelefoons (DASL)

Digitale systeemtelefoons (DASL)

Draadloze DECT-telefoons (DECT)

Draadloze DECT-telefoons (DECT)

Draadloze DECT-telefoons registreren

MiCollab-client (MiCollab-softphone)

MiCollab Client (MiCollab Softphone)

Mitel One

Mitel One

 

Analoge telefoons en aansluitingen (Analoog)

Analoge telefoons en aansluitingen (Analoog)

Mobiele- of externe telefoon (Mobiel/extern)

Mobiele- of externe telefoon (Mobiel/extern)

Mobiele telefoons met MMC (Mitel Mobile Client)

Mobiele telefoons met MMC (Mitel Mobile Client)

SIP-telefoons en SIP-aansluitingen (Standaard SIP)

SIP-telefoons en SIP-aansluitingen (Standaard SIP)

Standaard SIP-telefoons registreren

ISDN-telefoons en aansluitingen (BRI S-bus)

ISDN-telefoons en aansluitingen (BRI S-bus)

Virtuele telefoons (Virtueel)

Virtuele telefoons (Virtueel)

Mitel SIP-telefoons

Table 2. Instellingen voor aansluitingsinterface Mitel-SIP

Parameter

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Draadloze-telefoontype

Geeft het draadloze telefoontype weer als dit geregistreerd is (de parameter wordt alleen weergegeven voor het Mitel SIP-DECT-terminaltype).

Toegewezen gebruiker/pool

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of een Flexibele-werkplekpool of de toewijzing wordt gewist . Als u de telefoon aan een pool met vrije zitplaatsen toewijst, wordt deze automatisch verplaatst naar de weergave van de terminal met vrije zitplaatsen. De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker of één flexibele-werkplekpool. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude.

Registratie gebruikersnaam, Registratie wachtwoord

Dit wordt gebruikt voor het registreren van de telefoon bij de communicatieserver.

Displaytaal

Telefoontaalgebruikersinterface.

Inactief-tekst

Selecteer een voorgedefinieerde waarde of voer de tekst in die moet worden weergegeven op het telefoondisplay in inactief-stand. Standaard: Toegewezen gebruikersnaam, mits een naam tijdens de toewijzing wordt gedefinieerd. Anders wordt het telefoonnummer ingevoerd.

Inactief-tekst 2

Selecteer een voorgedefinieerde waarde of voer de extra tekst in die moet worden weergegeven op het telefoondisplay in inactief-stand.

Standaard: Nummer van de toegewezen gebruiker, als hiervoor een naam is opgegeven tijdens de toewijzing, anders blijft het veld leeg.

Telefoonvergrendeling: Instellen huidige status

U kunt de status van de huidige telefoonvergrendeling hier bekijken en wijzigen.

Gratis: De telefoon wordt niet vergrendeld of gedeeltelijk vergrendeld (afhankelijk van de parameter Status als telefoon wordt ontgrendeld).

Telefoonvergrendeling: De telefoon wordt vergrendeld en uw eigen gegevens zijn beveiligd zijn tegen bekijken. U kunt de oproepnummers configureren die kunnen worden gebeld voor uitgaande gesprekken via een speciale, interne en externe cijferblokkering (weergave gebruikers/machtigingsset, instellingen, interne cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling) en externe cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling)).

Status als telefoon ontgrendeld wordt

Hier kunt u bepalen of de vergrendelingsstatus van de telefoon vrij moet zijn of nog gedeeltelijk vergrendeld moet zijn als de telefoon wordt ontgrendeld.

Gratis: De telefoon wordt niet vergrendeld.

Vergrendel telefoon gedeeltelijk: Het systeemmenu op de telefoon wordt gereduceerd en sommige functietoetsen werken niet. Deze gedeeltelijke telefoonvergrendeling is handig voor kamertelefoons in hospitalityomgeving of voor telefoons op openbare plaatsen. Hierdoor worden alle menu's en instellingen vergrendeld, behalve gesprekkenlijsten, voicemailinvoer, systeemgebeurtenissen en lokaal telefoonboek Bovendien worden bepaalde functietoetsen vergrendeld. Dit betekent dat, hoewel de toetslabels nog steeds worden weergegeven, het indrukken van de toetsen geen effect sorteert.

Uitbreidingstoetsenmodule

Afhankelijk van het telefoontype kunt u hier maximaal drie uitbreidingstoetsenmodules toevoegen of verwijderen.

Middelentype

Selecteer hier het type TWP-uitbreidingsmodule (parameter alleen wordt afgebeeld voor Mitel SIP TWP-aansluitingstype).

Table 3. Verdere instellingen

Parameter

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Alternatief kunt u een gepreconfigureerde hotline-bestemming toewijzen aan de gebruiker (Configuratie / Gebruikersweergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Multilijnen

Het maximumaantal persoonlijke lijnen dat kan worden gebruikt door de SIP-telefoon wordt hier aangegeven. Het aantal KT-lijnen en telefoniste(n/s)lijnen wordt op de achtergrond berekend en aan deze waarde toegevoegd.

Note:

Deze waarde is niet verbonden met het aantal beschikbare lijntoetsen op de SIP-telefoon.

Conferentiecircuit

Hier kan worden opgegeven of een conferentie met drie partijen in de telefoon zelf moet worden gevoerd of in de communicatieserver.

Note:

Deze parameter kan alleen worden geconfigureerd wanneer ten minste twee lijnen worden opgezet (Multilijnen- instelling).

Backupconfiguratieserver

Selecteer een communicatieserver in de lijst als u de Mitel SIP-telefoon wilt gebruiken op een backupcommunicatieserver als de primaire communicatieserver crasht (Dual Homing). Als de lijst leeg is, moet u eerst een backup-communicatieserver definiëren.

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wachtgesprek, zelfs als hij of zij daartegen beschermd is.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

Automatisch handsfree

Uit: De functie wordt uitgeschakeld.

Aan: Bij een interne oproep wordt het handsfree-apparaat na één keer overgaan automatisch geactiveerd.

Aankondiging: Het handsfree apparaat wordt automatisch geactiveerd voor een aankondiging.

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

Bezetlampenveld: Beltoonvertraging(en)

Akoestische belsignaalvertraging op de overzicht-toestelgebruiktoetsen (1...30 seconden).

Note:

De waarde is alleen significant voor de actieve veldtoetsen van de lamp waarvoor de parameter Ring with delay is ingeschakeld.

Bezetlampenveld: Belcyclus/cycli

Belcyclus voor een periodiek gesprek (1...30 seconden). Als bijvoorbeeld de waarde wordt ingesteld op 8 seconden, dan klinkt er elke 8 seconden een beltoon op de overzicht-toestelgebruiktoetsen.

Note:

De waarde is alleen significant voor de actieve veldtoetsen van de lamp waarvoor de parameter Periodieke ring is ingeschakeld.

Bezetlampenveld: Beltoondemping

Verzwakking van akoestische belsignalen op overzicht-toestelgebruiktoetsen vergeleken met het belvolume dat momenteel op de telefoon is ingesteld.

1 = laagste demping (hoogste volume)

9 = hoogste demping (laagste volume)

Note:

De waarde is alleen significant voor de actieve veldtoetsen van de lamp waarvoor de parameter Laagste volume is ingeschakeld. (Alleen aangegeven voor oproeptype = individueel gesprek.)

Gesprekkenlijsttype

(Aleen voor Mitel 6867 SIP, Mitel 6869 SIP en Mitel 6873 SIP)

Afbeelding-ID: De lokale gesprekkenlijst van het apparaat wordt gebruikt met enkele kleine aanpassingen en gesynchroniseerd met de centrale gesprekkenlijst op de communicatieserver. Dit staat ook toe dat contactafbeeldingen worden weergegeven, als ze correct worden opgeslagen op de verbonden afbeeldingenserver. Hoe u de afbeeldingen op de afbeeldingenserver opslaat vindt u in de Mitel 6800 SIP-telefoonbeheerinstructies. U kunt de hyperlink naar de instructies onderaan in de afdeling Zie ook... vinden.

Verbeterd: De centrale gesprekkenlijst van de communicatieserver wordt gebruikt.

Table 4. Verbindingsinstellingen

Parameter

Uitleg

Status

Geeft aan of de telefoon is geregistreerd op de communicatieserver en dus beschikbaar is.

Note: Als het IP-DECT-basisstation is geconfigureerd voor IP-DECT-terminals, wordt de status gewijzigd in Geregistreerd.

Zie de installatie- en gebruikshandleiding van het IP-DECT-basisstation om het IP-DECT-basisstation te configureren op MiVoice Office 400.

Registreer telefoon opnieuw knop

Als een telefoon al op een andere locatie is geregistreerd, dan kunnen oude onzichtbare registratiereferentieresten opnieuw registreren voorkomen.

Voor succesvol registreren klikt u op telefoon opnieuw registreren en start vervolgens de telefoon opnieuw op.

IP-adres

Toont het IP-adres van de telefoon, als dit is geregistreerd op de communicatieserver.

SIP-poort

De poort voor de SIP-signaleringsdata wordt hier weergegeven.

RTP-poort

De RTP-poort wordt gebruikt voor het overbrengen van spraak. Default waarde is 1024. Mag in de regel niet worden veranderd.

MAC-adres

Het MAC-adres is een unieke telefoonidentificatie en wordt door het systeem gebruikt om de telefoon aan een configuratieprofiel toe te wijzen.

MBG-controller

Kies een MBG-controller uit de lijst, indien de telefoon wordt gebruikt als een Telewerker via een Mitel Border Gateway.

SIP-gebruikersnaam

Tekenreeks gegenereerd door WebAdmin. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn. Indien mogelijk gebruikt WebAdmin het gebruikersnummer toegewezen aan de telefoon.

SIP-wachtwoord

Willekeurige tekenreeks gegenereerd door WebAdmin. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn.

MBG SIP gebruikersnaam

Als de telefoon wordt gebruikt als telewerker via een Mitel Border Gateway, dan wordt deze extra tekenreeks gegenereerd door WebAdmin, zodat de telefoon zich kan aanmelden bij de MBG-controller. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn. Indien mogelijk gebruikt WebAdmin het gebruikersnummer toegewezen aan de telefoon.

MBG SIP wachtwoord

Als de telefoon wordt gebruikt als telewerker via een Mitel Border Gateway, dan wordt deze extra willekeurige tekenreeks gegenereerd door WebAdmin, zodat de telefoon zich kan aanmelden bij de MBG. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn.

Transportprotocol

Selecteer Persistente TLS en start de telefoon opnieuw als de verbinding met de telefoon moeten worden versleuteld.

Note:

De Persistent TLS-instelling is alleen beschikbaar als u de tijd en datum via een NTP-tijdserver synchroniseert (deze instelling is te vinden onder Systeem/Algemeen).

Aansluiting bevindt zich achter NAT

Stel deze parameter in als de telefoon zich op een ander subnet bevindt en alleen toegankelijk is via een NAT-router.

Verbinding behouden inschakelen

De communicatieserver verzendt periodiek berichten naar de SIP-telefoon (OPTIES) om de NAT-verbinding in stand te houden. Dit is nodig als bijvoorbeeld de SIP-telefoon is verbonden met de communicatieserver via het openbare IP-netwerk.

Stuur doorschakelgegevens

Met doorschakelgegevens kan de opgeroepen partij zien of de oproep werd doorgeschakeld en, zo ja, door wie. Er worden voor dit doel twee verschillende methoden gedefinieerd voor SIP. De parameter kan zowel voor elk SIP-provider als voor elke SIP-telefoon worden geconfigureerd.

Nee: Er wordt geen doorschakelen/doorschakelgegevens weergegeven.

Ja, m.b.v. "Doorschakelkoptekst (recurserend)": Doorschakelen/doorschakelgegevens worden alleen weergegeven in het geval van inkomende gesprekken. De oproep wordt doorgestuurd in de communicatieserver.

Ja, m.b.v. "Doorschakelkopregel (niet-recurserend)": De gespreksdoorschakeling voor uitgaande oproepen is indirect, waarbij de communicatieserver 'Response 302' (Tijdelijk Verplaatst) terugstuurt met de nodige doorschakelgegevens naar de SIP-telefoon. De SIP-telefoon maakt vervolgens zelf de oproep naar de doorschakelbestemming en toont de doorschakelgegevens op zijn eigen scherm.

Note:

Gespreksdoorschakeling met Respons 302 is niet in alle gevallen mogelijk.

Relayeren RTP-gegevens via communicatieserver

Indirect schakelen: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens doorgestuurd via de communicatieserver en niet rechtstreeks. Dit kan helpen bij het oplossen van NAT- en firewallproblemen.

Rechtstreeks schakelen: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens rechtstreeks doorgestuurd.

Note:

Indirect schakelen vereist twee extra VoIP-kanalen in de communicatieserver.

Bandbreedtegebied

Wijs de telefoon hier aan een reeds gedefinieerd bandbreedtegebied toe.

Actieve lijnbewaking (met sessievernieuwing)

Controleert met de sessievernieuwingsmethode op regelmatige intervallen, of de verbinding met het externe station op afstand nog steeds actief is. Als het externe station niet binnen de hier gedefinieerde sessievernieuwingsperiode reageert, dan wordt de verbinding verbroken.

VLAN

De gecodeerde VLAN-toewijzing van de telefoon in overeenstemming met IEEE 802.1/Q. Een VLAN-ID toewijzen.

Er wordt aan de telefoon geen VLAN-ID toegewezen of de toewijzing is poort-gebaseerd op de gebruikte schakeling.

VLAN ID

ID van het VLAN waaraan de telefoon moet worden toegewezen (waarden tussen 1 en 4094). De gekozen VLAN ID moet overeenkomen met de communicatieserver VLAN-ID.

VLAN PC

Getagde VLAN-toewijzing van de PC-interface op de telefoon in overeenstemming met IEEE 802.1/Q. Een VLAN-ID toewijzen.

Aan de PC-interface op de telefoon wordt geen VLAN toegewezen.

VLAN-PC-ID

ID van het VLAN waaraan de PC-interface op de telefoon moet worden toegewezen (waarden tussen 1 en 4094).

Table 5. Display-instellingen (alleen configureerbaar vanaf Mitel 6867 SIP en Mitel 6900 SIP)

Parameter

Uitleg

Actief achtergrondverlichtingsniveau

Definieer het achtergrondverlichtingsniveau wanneer de telefoon in gebruik is. De standaardwaarde is vijf.

Achtergrondverlichting op tijd (en)

Nadat de telefoon naar inactief schakelt, moet het achtergrondverlichtingsniveau gedurende een bepaalde tijd op het actieve niveau blijven. Deze tijdsduur kan hier worden geconfigureerd. De standaardwaarde is 30 seconden.

Inactief-achtergrondverlichtingsniveau overdag

Het inactief-achtergrondverlichtingsniveau voor overdag kan hier worden geconfigureerd. De standaardwaarde is één.

Standaard achtergrondverlichtingsniveau voor 's nachts

Het inactief-achtergrondverlichtingsniveau voor 's nachts kan hier worden geconfigureerd. De standaardwaarde is één.

Achtergrondverlichting dag-nacht

Het toestel beschikt over verschillende inactief-achtergrondverlichtingsinstellingen voor dag en nacht.

Achtergrondverlichting begin van de dag

Bepaalt wanneer de dag begint (wordt alleen gebruikt voor achtergrondverlichtingsinstellingen). De standaardwaarde is 07:00.

Achtergrondverlichting begin van de nacht

Bepaalt wanneer de nacht begint (wordt alleen gebruikt voor achtergrondverlichtingsinstellingen). De standaardwaarde is 22:00.

Note:

Er moet minstens een verschil zijn van 30 minuten verschil tussen dag en nacht begintijden.

Screensaver op tijd (en)

Stel de duur in hoelang een telefoon inactief moet zijn voordat de screensaver wordt ingeschakeld. De standaardwaarde is 1800 seconden (= 30 minuten).

Table 6. Acties

Knop

Uitleg

De telefoon opnieuw opstarten

Wijzigingen in de parameters worden pas van kracht zodra de Mitel SIP-telefoon opnieuw is opgestart.

Alle Mitel SIP-telefoons opnieuw opstarten.

In plaats van opnieuw elke Mitel SIP-telefoon apart opnieuw op te straten, kunt u alle geregistreerde Mitel SIP-telefoons via deze functie opnieuw opstarten.

Stel inactief-tekst algemeen in

In plaats van de inactief-tekst voor elke telefoon afzonderlijk in te voeren, kan deze functie worden gebruikt om de inactief-tekst algemeen in te stellen voor alle systeemtelefoons met display.

Tip:

De inactief-tekst kan het individuele gebruikersnummer of de gebruikersnaam als placeholder worden gegeven.

De tijdelijke aanduidingen zijn < Nee. >en < naam>.

Weergavetaal algemeen wijzigen

Deze functie kan worden gebruikt om de weergavetaal op alle systeemtelefoons met display op hetzelfde moment te wijzigen.

„Mitel telefoons met SIP-kabel registreren” Inbedrijfstelling

Mitel SIP telefoons zijn platformonafhankelijke telefoons met een breed scala aan functies. Ook kunnen ze perfect worden geïntegreerd in een van de Mitel Platformen en worden gebruikt als systeemtelefoon. Mitel SIP-telefoons op MiVoice Office 400 ondersteunen eerst de functies van MiVoice Office 400 en hebben een aparte gebruikershandleiding. Veel van de toestelspecifieke functies zijn minder belangrijk of worden in het geheel niet gebruikt. Lees de beheerdersinstructies Mitel SIP als u toestelspecifieke functies wilt gebruiken of toestelspecifieke instellingen wilt uitvoeren. U vindt een hyperlink in de afdeling Zie ook....

IP-systeemtelefoons (IP)

Table 7. Instellingen voor aansluitingsinterface IP

Parameter 1

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen gebruiker/pool

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of een Flexibele-werkplekpool of de toewijzing wordt gewist . Als u de telefoon aan een pool met vrije zitplaatsen toewijst, wordt deze automatisch verplaatst naar de weergave van de terminal met vrije zitplaatsen. De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker of één flexibele-werkplekpool. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude.

Registratiecode

U kunt dit gebruiken om de telefoon op de communicatieserver te registreren en om het gewenste configuratieprofiel toe te wijzen.

Voer dit nummer op de telefoon in wanneer daarom wordt gevraagd tijdens het registratieproces. De standaardwaarde is het telefoonnummer van de toegewezen gebruiker of een lege vermelding. Als alternatief kunt u de toewijzing ook realiseren door het MAC-adres van de telefoon in te voeren (zie MAC-adres instelling in de verbindingsinstellingen).

Displaytaal

Telefoontaalgebruikersinterface.

Inactief-tekst

Selecteer een voorgedefinieerde waarde of voer de tekst in die moet worden weergegeven op het telefoondisplay in inactief-stand. Standaard: Telefoonnummer en naam van de toegewezen gebruiker, op voorwaarde dat de gebruiker is ingevoerd op het moment van de toewijzing; zo niet, dan wordt alleen het telefoonnummer ingevoerd.

Telefoonvergrendeling: Instellen huidige status

Gratis: De telefoon wordt niet vergrendeld.

Vergrendelingsinstellingen Het configuratiemenu wordt vergrendeld.

Vergrendel telefoon gedeeltelijk: Het configuratiemenu wordt vergrendeld en bepaalde menuopties worden verborgen.

Telefoonvergrendeling: De telefoon wordt vergrendeld en uw eigen gegevens zijn beveiligd zijn tegen bekijken. U kunt de oproepnummers configureren die kunnen worden gebeld voor uitgaande gesprekken via een speciale, interne en externe cijferblokkering (weergave gebruikers/machtigingsset, instellingen, interne cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling) en externe cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling)).

Bluetoothmodule

De MiVoice 5380 / 5380 IP-systeemtelefoon uitgerust met een EZURIO BISM2 type Bluetooth-module. Hier kunt u zien of de telefoon een Bluetooth-module heeft en in welke status deze verkeert.

Uitbreidingstoetsenmodule

Afhankelijk van het telefoontype kunt u hier maximaal drie uitbreidingstoetsenmodules toevoegen of verwijderen.

Table 8. Verdere instellingen

Parameter 2

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotline-bestemming toewijzen (Configuratie/gebruikersweergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

Headset

De headset in-/uitschakelen

Automatisch handsfree

Uit: De functie wordt uitgeschakeld.

Aan: Bij een interne oproep wordt het handsfree-apparaat na één keer overgaan automatisch geactiveerd.

Aankondiging: Het handsfree apparaat wordt automatisch geactiveerd voor een aankondiging.

Discrete beltoon

De telefoon gaat slechts eenmaal over. U kunt de oproep echter ook na de eerste keer overgaan nog steeds aannemen.

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

DTMF-automatisch

Aan: DTMF wordt standaard ingeschakeld en kan worden uitgeschakeld voor elke individuele oproep.

Uit: DTMF wordt standaard uitgeschakeld en kan worden geactiveerd voor elke individuele oproep.

Pop-upvenster voor onbeantwoorde oproepen

Inschakelen Onbeantwoorde-oproepen weergave voor systeemtelefoons.

Note:

Het symbool voor onbeantwoorde oproepen op het display is niet van belang voor deze instelling.

Table 9. Verbindingsinstellingen

Parameter

Uitleg

Status

Geeft aan of de telefoon is geregistreerd op de communicatieserver en dus beschikbaar is.

IP-adres

Toont het IP-adres van de telefoon, als dit is geregistreerd op de communicatieserver.

RTP-poort

De RTP-poort wordt gebruikt voor het overbrengen van spraak. Default waarde is 30000. Mag in de regel niet worden veranderd.

MAC-adres

MAC-adres van de IP-systeemtelefoon. Automatisch lezen tijdens registratie.

Het configuratieprofiel wordt toegewezen aan de telefoon die dit MAC-adres gebruikt. Wis dit als u de toewijzing van de aansluiting aan de aansluitingsgegevens wilt annuleren.

Als alternatief voor het registreren van de telefoon met behulp van de registratiecode, kunt u het MAC-adres van de telefoon op dit punt handmatig invoeren.

Transportprotocol

Selecteer Persistente TLS en start de telefoon opnieuw als de verbinding met de telefoon moeten worden versleuteld.

Note:

De Persistent TLS-instelling is alleen beschikbaar als u de tijd en datum via een NTP-tijdserver synchroniseert (deze instelling is te vinden onder Systeem/Algemeen).

Relayeren RTP-gegevens via communicatieserver

checkbox-checked00757.png Indirecte omschakeling: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens doorgestuurd via de communicatieserver en niet rechtstreeks. Dit kan helpen bij het oplossen van NAT- en firewallproblemen.

Rechtstreeks schakelen: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens rechtstreeks doorgestuurd.

Note:

Indirect schakelen vereist twee extra VoIP-kanalen in de communicatieserver.

Bandbreedtegebied

Wijs de telefoon hier aan een reeds gedefinieerd bandbreedtegebied toe.

VLAN

De gecodeerde VLAN-toewijzing van de telefoon in overeenstemming met IEEE 802.1/Q. Een VLAN-ID toewijzen.

Er wordt aan de telefoon geen VLAN-ID toegewezen of de toewijzing is poort-gebaseerd op de gebruikte schakeling.

VLAN ID

ID van het VLAN waaraan de telefoon moet worden toegewezen (waarden tussen 1 en 4094). De gekozen VLAN ID moet overeenkomen met de communicatieserver VLAN-ID.

VLAN PC

Getagde VLAN-toewijzing van de PC-interface op de telefoon in overeenstemming met IEEE 802.1/Q. Een VLAN-ID toewijzen.

Aan de PC-interface op de telefoon wordt geen VLAN toegewezen.

VLAN-PC-ID

ID van het VLAN waaraan de PC-interface op de telefoon moet worden toegewezen (waarden tussen 1 en 4094).

Bellende-partij-info E.164 compliant

De standaard SIP-telefoon vereist het E.164-formaat (d.w.z. canoniek formaat) in de koptekst „van”, „contact” en „PAI” van het juiste SIP-bericht (bijvoorbeeld INVITE).

Table 10. Scherminstellingen

Parameter 3

Uitleg

Displaycontrast

U kunt hier het contrast van het scherm instellen. De optimale instelling hangt af van de gezichtshoek.

Achtergrondverlichting

U kunt hier de achtergrondverlichting van het scherm instellen. Er zijn verschillende verlichtingsmodules beschikbaar, afhankelijk van de modellen. De instelling wordt toegepast op de verbonden uitbreidingstoetsenmodule M535.

Achtergrondverlichtingsintensiteit

U hier kunt de intensiteit van de achtergrondverlichting van het scherm instellen.

Note:

De intensiteit van de achtergrondverlichting kan minder worden als de telefoon niet wordt gevoed via een voeding via een stopcontact.

Schermbeveiliging

Op MiVoice 5380 IP kan de schermbeveiliging worden geactiveerd en deze wordt een paar minuten na inactiviteit op het scherm weergegeven. U hebt de keuze tussen een rechte hoek en een ronde klok.

M535: Displaycontrast

U kunt het schermcontrast van de verbonden uitbreidingstoetsenmodule M535 hier instellen. De optimale instelling hangt af van de gezichtshoek.

M535: Achtergrondverlichtingsintensiteit

U kunt de intensiteit van de achtergrondverlichting van verbonden uitbreidingstoetsenmodule M535 hier instellen.

Note:

Een uitbreidingstoetsenmodules M535 altijd moeten worden gevoed via een voeding via een stopcontact.

Table 11. Acties

Knop

Uitleg

De telefoon opnieuw opstarten

De telefoon kan opnieuw worden opgestart met deze toets.

Stel inactief-tekst algemeen in

In plaats van de inactief-tekst voor elke telefoon afzonderlijk in te voeren, kan deze functie worden gebruikt om de inactief-tekst algemeen in te stellen voor alle systeemtelefoons met display.

Tip:

De inactief-tekst kan het individuele gebruikersnummer of de gebruikersnaam als placeholder worden gegeven.

De tijdelijke aanduidingen zijn < Nee. >en < naam>.

Weergavetaal algemeen wijzigen

Deze functie kan worden gebruikt om de weergavetaal op alle systeemtelefoons met display op hetzelfde moment te wijzigen.

„Mitel telefoons met SIP-kabel registreren” Inbedrijfstelling

Digitale systeemtelefoons (DSI-AD2)

Table 12. Instellingen voor aansluitingsinterface DSI-AD2

Parameter 4

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen poort

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of aan een fysieke connector of de toewijzing wordt gewist . De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één poort. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude. Er kunnen maximaal twee telefoons kunnen aangesloten op een DSI-AD2 interface.

Toegewezen gebruiker/pool

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of een Flexibele-werkplekpool of de toewijzing wordt gewist . Als u de telefoon aan een pool met vrije zitplaatsen toewijst, wordt deze automatisch verplaatst naar de weergave van de terminal met vrije zitplaatsen. De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker of één flexibele-werkplekpool. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude.

Displaytaal

Telefoontaalgebruikersinterface.

Inactief-tekst

Selecteer een voorgedefinieerde waarde of voer de tekst in die moet worden weergegeven op het telefoondisplay in inactief-stand.

Standaard: Telefoonnummer en naam van de toegewezen gebruiker, op voorwaarde dat de gebruiker is ingevoerd op het moment van de toewijzing; zo niet, dan wordt alleen het telefoonnummer ingevoerd.

Telefoonvergrendeling: Instellen huidige status

Gratis: De telefoon wordt niet vergrendeld.

Vergrendelingsinstellingen Het configuratiemenu wordt vergrendeld.

Vergrendel telefoon gedeeltelijk: Het configuratiemenu wordt vergrendeld en bepaalde menuopties worden verborgen.

Telefoonvergrendeling: De telefoon wordt vergrendeld en uw eigen gegevens zijn beveiligd zijn tegen bekijken. U kunt de oproepnummers configureren die kunnen worden gebeld voor uitgaande gesprekken via een speciale, interne en externe cijferblokkering (weergave gebruikers/machtigingsset, instellingen, interne cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling) en externe cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling)).

Bluetoothmodule

De MiVoice 5380 / 5380 IP-systeemtelefoon uitgerust met een EZURIO BISM2 type Bluetooth-module. Hier kunt u zien of de telefoon een Bluetooth-module heeft en in welke status deze verkeert.

Uitbreidingstoetsenmodule

Afhankelijk van het telefoontype kunt u hier maximaal drie uitbreidingstoetsenmodules toevoegen of verwijderen.

Table 13. Verdere instellingen

Parameter 5

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotline-bestemming toewijzen (Configuratie/gebruikersweergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Speciale beltoon

selectievakje-aangevinkt00772.png De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigd belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

Headset

De headset in-/uitschakelen

Automatisch handsfree

Uit: De functie wordt uitgeschakeld.

Aan: Bij een interne oproep wordt het handsfree-apparaat na één keer overgaan automatisch geactiveerd.

Aankondiging: Het handsfree apparaat wordt automatisch geactiveerd voor een aankondiging.

Discrete beltoon

De telefoon gaat slechts eenmaal over. U kunt de oproep echter ook na de eerste keer overgaan nog steeds aannemen.

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

DTMF-automatisch

Aan: DTMF wordt standaard ingeschakeld en kan worden uitgeschakeld voor elke individuele oproep.

Uit: DTMF wordt standaard uitgeschakeld en kan worden geactiveerd voor elke individuele oproep.

Pop-upvenster voor onbeantwoorde oproepen

Inschakelen Onbeantwoorde-oproepen weergave voor systeemtelefoons.

Note:

Het symbool voor onbeantwoorde oproepen op het display is niet van belang voor deze instelling.

Table 14. Verbindingsinstellingen

Knop

Uitleg

Bellende-partij-info E.164 compliant

De standaard SIP-telefoon vereist het E.164-formaat (d.w.z. canoniek formaat) in de koptekst „van”, „contact” en „PAI” van het juiste SIP-bericht (bijvoorbeeld INVITE).

Table 15. Scherminstellingen

Parameter 6

Uitleg

Displaycontrast

U kunt hier het contrast van het scherm instellen. De optimale instelling hangt af van de gezichtshoek.

Achtergrondverlichting

U kunt hier de achtergrondverlichting van het scherm instellen. Er zijn verschillende verlichtingsmodules beschikbaar, afhankelijk van de modellen. De instelling wordt toegepast op de verbonden uitbreidingstoetsenmodule M535.

Achtergrondverlichtingsintensiteit

U hier kunt de intensiteit van de achtergrondverlichting van het scherm instellen.

Note:

De intensiteit van de achtergrondverlichting kan minder worden als de telefoon niet wordt gevoed via een voeding via een stopcontact.

Schermbeveiliging

Op MiVoice 5380 kan de schermbeveiliging worden geactiveerd en deze wordt een paar minuten na inactiviteit op het scherm weergegeven. U hebt de keuze tussen een rechte hoek en een ronde klok.

M535: Displaycontrast

U kunt het schermcontrast van de verbonden uitbreidingstoetsenmodule M535 hier instellen. De optimale instelling hangt af van de gezichtshoek.

M535: Achtergrondverlichtingsintensiteit

U kunt de intensiteit van de achtergrondverlichting van verbonden uitbreidingstoetsenmodule M535 hier instellen.

Note:

Een uitbreidingstoetsenmodules M535 altijd moeten worden gevoed via een voeding via een stopcontact.

Table 16. Acties

Knop

Uitleg

Stel inactief-tekst algemeen in

In plaats van de inactief-tekst voor elke telefoon afzonderlijk in te voeren, kan deze functie worden gebruikt om de inactief-tekst algemeen in te stellen voor alle systeemtelefoons met display.

Tip:

De inactief-tekst kan het individuele gebruikersnummer of de gebruikersnaam als placeholder worden gegeven.

De tijdelijke aanduidingen zijn < Nee. >en < naam>.

Weergavetaal algemeen wijzigen

Deze functie kan worden gebruikt om de weergavetaal op alle systeemtelefoons met display op hetzelfde moment te wijzigen.

„Mitel telefoons met SIP-kabel registreren” Inbedrijfstelling

Digitale systeemtelefoons (DASL)

Table 17. Instellingen voor aansluitingsinterface DASL

Parameter 7

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen poort

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of aan een fysieke connector of de toewijzing wordt gewist . De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één poort. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude. Er kan slechts één telefoon kan worden verbonden met een DASL-interface.

Toegewezen gebruiker/pool

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of de toewijzing wordt gewist . De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude.

Displaytaal

Telefoontaalgebruikersinterface.

Inactief-tekst

Selecteer een voorgedefinieerde waarde of voer de tekst in die moet worden weergegeven op het telefoondisplay in inactief-stand. Standaard: Telefoonnummer en naam van de toegewezen gebruiker, op voorwaarde dat de gebruiker is ingevoerd op het moment van de toewijzing; zo niet, dan wordt alleen het telefoonnummer ingevoerd.

Telefoonvergrendeling: Instellen huidige status

Gratis: De telefoon wordt niet vergrendeld.

Vergrendelingsinstellingen Het configuratiemenu wordt vergrendeld.

Vergrendel telefoon gedeeltelijk: Het configuratiemenu wordt vergrendeld en bepaalde menuopties worden verborgen.

Telefoonvergrendeling: De telefoon wordt vergrendeld en uw eigen gegevens zijn beveiligd zijn tegen bekijken. U kunt de oproepnummers configureren die kunnen worden gebeld voor uitgaande gesprekken via een speciale, interne en externe cijferblokkering (weergave gebruikers/machtigingsset, instellingen, interne cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling) en externe cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling)).

Uitbreidingstoetsenmodule

Afhankelijk van het telefoontype kunt u hier maximaal drie uitbreidingstoetsenmodules toevoegen of verwijderen.

Table 18. Verdere instellingen

Parameter 8

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotline-bestemming toewijzen (Configuratie/gebruikersweergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

Automatisch handsfree

Uit: De functie wordt uitgeschakeld.

Aan: Bij een interne oproep wordt het handsfree-apparaat na één keer overgaan automatisch geactiveerd.

Aankondiging: Het handsfree apparaat wordt automatisch geactiveerd voor een aankondiging.

Discrete beltoon

De telefoon gaat slechts eenmaal over. U kunt de oproep echter ook na de eerste keer overgaan nog steeds aannemen.

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

DTMF-automatisch

Aan: DTMF wordt standaard ingeschakeld en kan worden uitgeschakeld voor elke individuele oproep.

Uit: DTMF wordt standaard uitgeschakeld en kan worden geactiveerd voor elke individuele oproep.

Table 19. Acties

Knop

Uitleg

Stel inactief-tekst algemeen in

In plaats van de inactief-tekst voor elke telefoon afzonderlijk in te voeren, kan deze functie worden gebruikt om de inactief-tekst algemeen in te stellen voor alle systeemtelefoons met display.

Tip:

De inactief-tekst kan het individuele gebruikersnummer of de gebruikersnaam als placeholder worden gegeven.

De tijdelijke aanduidingen zijn < Nee. >en < naam>.

Weergavetaal algemeen wijzigen

Deze functie kan worden gebruikt om de weergavetaal op alle systeemtelefoons met display op hetzelfde moment te wijzigen.

„Mitel telefoons met SIP-kabel registreren” Inbedrijfstelling

Draadloze DECT-telefoons (DECT)

Table 20. Instellingen voor DECT-aansluitingsinterface

Parameter 9

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen gebruiker/pool

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of een Flexibele-werkplekpool of de toewijzing wordt gewist . Als u de telefoon toewijst aan een vrije werkplekpool, wordt deze automatisch verplaatst naar de weergave Vrije werkplekterminal. De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker of één flexibele-werkplekpool. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude.

Displaytaal

Telefoontaalgebruikersinterface.

Inactief-tekst

Selecteer een voorgedefinieerde waarde of voer de tekst in die moet worden weergegeven op het telefoondisplay in inactief-stand. Standaard: Telefoonnummer en naam van de toegewezen gebruiker, op voorwaarde dat de gebruiker is ingevoerd op het moment van de toewijzing; zo niet, dan wordt alleen het telefoonnummer ingevoerd.

Telefoonvergrendeling: Instellen huidige status

Gratis: De telefoon wordt niet vergrendeld.

Vergrendelingsinstellingen Het configuratiemenu wordt vergrendeld.

Vergrendel telefoon gedeeltelijk: Het configuratiemenu wordt vergrendeld en bepaalde menuopties worden verborgen.

Telefoonvergrendeling: De telefoon wordt vergrendeld en uw eigen gegevens zijn beveiligd zijn tegen bekijken. U kunt de oproepnummers configureren die kunnen worden gebeld voor uitgaande gesprekken via een speciale, interne en externe cijferblokkering (weergave gebruikers/machtigingsset, instellingen, interne cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling) en externe cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling)).

Table 21. Verdere instellingen

Parameter 10

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotline-bestemming toewijzen (Configuratie/gebruikersweergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Slechts één hotkey

Er is slechts één hotkey beschikbaar, dat wil zeggen dat u slechts één telefoonnummer of functie op de toets kunt opslaan. Deze configuratie is met name geschikt als u een functie wilt activeren door op een toets te drukken (bijvoorbeeld een alarm).

Er zijn zes hotkeys beschikbaar zijn, dat wil zeggen dat u zes telefoonnummers of functies op de toets kunt opslaan.

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een noodnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wachtgesprek, zelfs als hij of zij daartegen beschermd is.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

Discrete beltoon

De telefoon gaat slechts eenmaal over. U kunt de oproep echter ook na de eerste keer overgaan nog steeds aannemen.

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

Toetsbevestigingsgeluid

Telkens wanneer er op een toets wordt gedrukt wordt dit door de telefoon bevestigt dat met een geluidje.

Direct aannemen

Als de telefoon zich in een houder bevindt wanneer een oproep binnenkomt, beantwoordt u de oproep door de telefoon uit de houder te nemen zonder op oproeptoets te hoeven drukken.

DTMF-automatisch

Aan: DTMF wordt standaard ingeschakeld en kan worden uitgeschakeld voor elke individuele oproep.

Uit: DTMF wordt standaard uitgeschakeld en kan worden geactiveerd voor elke individuele oproep.

Pop-upvenster voor onbeantwoorde oproepen

Schakel de weergave Onbeantwoorde gesprekken in voor systeemtelefoons.

Note:

Het symbool voor onbeantwoorde oproepen op het display is niet van belang voor deze instelling.

Table 22. Scherminstellingen

Parameter 11

Uitleg

Displaycontrast

U kunt hier het schermcontrast instellen. De optimale instelling hangt af van de gezichtshoek.

Achtergrondverlichting

U kunt hier de achtergrondverlichting van het scherm instellen.

Table 23. DECT-instellingen

Parameter

Uitleg

Status

Geabonneerd / Niet-geabonneerd / Bereid om te abonneren

Statusweergave Geeft aan of een draadloze telefoon al dan niet op de draadloze telefoon is geabonneerd.

Diverse versiegegevens

Toont de HW en softwareversiegegevens van de draadloze DECT-telefoon (niet beschikbaar voor alle modellen).

ID-draadloze telefoon

Deze ID wordt afgegeven wanneer de draadloze telefoon wordt geopend en wordt gebruikt voor een specifieke opdracht.

Table 24. Acties

Knop

Uitleg

Login 12

Start de inlogprocedure voor draadloze telefoons.

Stel inactief-tekst algemeen in

In plaats van de inactief-tekst voor elke telefoon afzonderlijk in te voeren, kan deze functie worden gebruikt om de inactief-tekst algemeen in te stellen voor alle systeemtelefoons met display.

Tip:

De inactief-tekst kan het individuele gebruikersnummer of de gebruikersnaam als placeholder worden gegeven.

De tijdelijke aanduidingen zijn < Nee. >en < naam>.

Weergavetaal algemeen wijzigen

Deze functie kan worden gebruikt om de weergavetaal op alle systeemtelefoons met display op hetzelfde moment te wijzigen.

„Mitel telefoons met SIP-kabel registreren” Inbedrijfstelling

Mitel BluStar 8000i en Mitel BluStar-softphones (BluStar)

Table 25. Instellingen voor aansluitingsinterface BluStar

Parameter 13

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen gebruiker/pool

Toegewezen gebruikersdisplay

  • Een Mitel BluStar 8000i wordt niet definitief toegewezen aan een gebruiker. Deze wordt alleen toegewezen als een gebruiker inlogt bij een telefoon met een gebruikersnaam en wachtwoord of pincode.
  • In de gebruikersweergave in de multimediatabel moet een BluStar-softphone worden toegewezen.

Displaytaal

Telefoontaalgebruikersinterface.

Table 26. Verdere instellingen

Parameter

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotline-bestemming toewijzen (Configuratie/gebruikersweergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Multilijnen

Het maximumaantal persoonlijke lijnen dat kan worden gebruikt door de-telefoon wordt hier gespecificeerd. Het aantal KT-lijnen en telefoniste(n/s)lijnen wordt op de achtergrond berekend en aan deze waarde toegevoegd.

Note:

Deze waarde is niet verbonden met het aantal beschikbare lijntoetsen op de SIP-telefoon.

Conferentiecircuit

Hier kan worden opgegeven of een conferentie met drie partijen in de telefoon zelf moet worden gevoerd of in de communicatieserver.

Note:

Deze parameter kan alleen worden geconfigureerd wanneer ten minste twee lijnen worden opgezet (Multilijnen- instelling).

Alarmbestemming

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

Table 27. Verbindingsinstellingen

Parameter

Uitleg

IP-adres

Toont het IP-adres van de telefoon, als dit is geregistreerd op de communicatieserver.

SIP-poort

De poort voor de SIP-signaleringsdata wordt hier weergegeven.

RTP-poort

De RTP-poort wordt gebruikt voor het overbrengen van spraak. Mag in de regel niet worden veranderd.

MAC-adres

Het MAC-adres is een unieke telefoonidentificatie en wordt door het systeem gebruikt om de telefoon aan een configuratieprofiel toe te wijzen.

Transportprotocol

Selecteer Persistente TLS en start de telefoon opnieuw als de verbinding met de telefoon moeten worden versleuteld.

Note:

De Persistent TLS-instelling is alleen beschikbaar als u de tijd en datum via een NTP-tijdserver synchroniseert (deze instelling is te vinden onder Systeem/Algemeen).

Aansluiting bevindt zich achter NAT

Stel deze parameter in selectievakje-aangevinkt00796.png, als de telefoon zich op een ander subnet bevindt en alleen toegankelijk is via een NAT-router.

Verbinding behouden inschakelen

De communicatieserver verzendt periodiek berichten naar de SIP-telefoon (OPTIES) om de NAT-verbinding in stand te houden. Dit is nodig als bijvoorbeeld de SIP-telefoon is verbonden met de communicatieserver via het openbare IP-netwerk.

Stuur doorschakelgegevens

Met doorschakelgegevens kan de opgeroepen partij zien of de oproep werd doorgeschakeld en, zo ja, door wie. Er worden voor dit doel twee verschillende methoden gedefinieerd voor SIP. De parameter kan zowel voor elk SIP-provider als voor elke SIP-telefoon worden geconfigureerd.

Nee: Er wordt geen doorschakelen/doorschakelgegevens weergegeven.

Ja, m.b.v. "Doorschakelkoptekst (recurserend)": Doorschakelen/doorschakelgegevens worden alleen weergegeven in het geval van inkomende gesprekken. De oproep wordt doorgestuurd in de communicatieserver.

Ja, m.b.v. "Doorschakelkopregel (niet-recurserend)": De gespreksdoorschakeling voor uitgaande oproepen is indirect, waarbij de communicatieserver 'Response 302' (Tijdelijk Verplaatst) terugstuurt met de nodige doorschakelgegevens naar de SIP-telefoon. De SIP-telefoon maakt vervolgens zelf de oproep naar de doorschakelbestemming en toont de doorschakelgegevens op zijn eigen scherm.

Note:

Gespreksdoorschakeling met Respons 302 is niet in alle gevallen mogelijk.

Relayeren RTP-gegevens via communicatieserver

Indirect schakelen: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens doorgestuurd via de communicatieserver en niet rechtstreeks. Dit kan helpen bij het oplossen van NAT- en firewallproblemen.

Rechtstreeks schakelen: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens rechtstreeks doorgestuurd.

Note:

Indirect schakelen vereist twee extra VoIP-kanalen in de communicatieserver.

Bandbreedtegebied

Wijs de telefoon hier aan een reeds gedefinieerd bandbreedtegebied toe.

Table 28. Acties

Knop

Uitleg

De telefoon opnieuw opstarten

De telefoon kan opnieuw worden opgestart met deze toets.

„Mitel telefoons met SIP-kabel registreren” Inbedrijfstelling

MiCollab Client (MiCollab Softphone)

Table 29. Instellingen voor aansluitingsinterface Standaard-SIP

Parameter

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen gebruiker/pool

Hier ziet u de toegewezen gebruiker. De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker.

Table 30. Verdere instellingen

Parameter

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotlinebestemming toewijzen(Configuratie / Gebruiker weergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Multilijnen

Het maximumaantal persoonlijke lijnen dat kan worden gebruikt door de SIP-telefoon wordt hier aangegeven. Het aantal KT-lijnen en telefoniste(n/s)lijnen wordt op de achtergrond berekend en aan deze waarde toegevoegd.

Note:

Deze waarde is niet verbonden met het aantal beschikbare lijntoetsen op de SIP-telefoon.

Conferentiecircuit

Hier kan worden opgegeven of een conferentie met drie partijen in de telefoon zelf moet worden gevoerd of in de communicatieserver.

Note:

Deze parameter kan alleen worden geconfigureerd wanneer ten minste twee lijnen worden opgezet (Multilijnen- instelling).

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

Table 31. Verbindingsinstellingen

Parameter

Uitleg

Status

Geeft aan of de telefoon is geregistreerd op de communicatieserver en dus beschikbaar is.

Registratie overschrijven

Geconfigureerd wanneer meerdere cliënten worden ondersteund voor een gebruiker. De configuratie in dit veld geeft aan of de gebruiker altijd ingelogd blijft bij de MiCollab-cliënt (standaard voor mobiele telefoons, tablets) of moet worden uitgelogd bij de cliënt (standaard voor PC en WebRTC-cliënt). Wanneer Registratie overschrijven wordt ingesteld op "Altijd", wanneer een gebruiker inlogt bij een ander exemplaar van de MiCollab-cliënt, dan wordt het eerste exemplaar automatisch uitgelogd.

MiCollab-cliënttype

Geeft het type cliënt aan dat is geconfigureerd voor de aansluitingsinterface.

Gebruikersagentstring

Gebruikersagentkoptekst ontvangen in het SIP-REGISTRATIEbericht. Omvat gebruikersinformatie zoals het UC-eindpunt, zijn versie, toestel, OS-versie en dergelijke afhankelijk van de gebruiker van het klantentoestel.

IP-adres

Toont het IP-adres van de telefoon, als dit is geregistreerd op de communicatieserver.

SIP-poort

De poort voor de SIP-signaleringsdata wordt hier weergegeven.

RTP-poort

De poort voor de RTP-data wordt hier weergegeven.

MAC-adres

MAC-adres gekoppeld aan de gebruikersagent die is ingelogd op de aansluiting. Dit is een alleen-lezenveld, alleen bedoeld ter informatie.

SIP-gebruikersnaam

Tekenreeks gegenereerd door WebAdmin. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn. Indien mogelijk gebruikt WebAdmin het gebruikersnummer toegewezen aan de telefoon.

SIP-wachtwoord

Willekeurige tekenreeks gegenereerd door WebAdmin. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn.

Transportprotocol

Transportprotocol gebruikt om de verbinding met de communicatieserver vast te stellen.

Aansluiting achter NAT

Geeft aan dat de aansluiting zich achter een NAT (Network Address Translation/Netwerkadresvertaling)-server bevindt.

Verbinding behouden inschakelen

selectievakje-aangevinkt00803.png De communicatieserver stuurt periodiek berichten naar de SIP-telefoon (OPTIONS) om de NAT-verbinding te onderhouden. Dit is nodig als bijvoorbeeld de SIP-telefoon is verbonden met de communicatieserver via het openbare IP-netwerk.

Stuur doorschakelgegevens

Met doorschakelgegevens kan de opgeroepen partij zien of de oproep werd doorgeschakeld en, zo ja, door wie. Er worden voor dit doel twee verschillende methoden gedefinieerd voor SIP. De parameter kan zowel voor elk SIP-provider als voor elke SIP-telefoon worden geconfigureerd.

Nee: Er wordt geen doorschakelen/doorschakelgegevens weergegeven.

Ja, m.b.v. "Doorschakelkoptekst (recurserend)": Doorschakelen/doorschakelgegevens worden alleen weergegeven in het geval van inkomende gesprekken. De oproep wordt doorgestuurd in de communicatieserver.

Ja, m.b.v. "Doorschakelkopregel (niet-recurserend)": De gespreksdoorschakeling voor uitgaande oproepen is indirect, waarbij de communicatieserver 'Response 302' (Tijdelijk Verplaatst) terugstuurt met de nodige doorschakelgegevens naar de SIP-telefoon. De SIP-telefoon maakt vervolgens zelf de oproep naar de doorschakelbestemming en toont de doorschakelgegevens op zijn eigen scherm.

Note:

Gespreksdoorschakeling met Respons 302 is niet in alle gevallen mogelijk.

Relayeren RTP-gegevens via communicatieserver

Indirecte omschakeling: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens doorgestuurd via de communicatieserver en niet rechtstreeks. Dit kan helpen bij het oplossen van NAT- en firewallproblemen.

Direct schakelen: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens rechtstreeks doorgestuurd.

Note:

Indirect schakelen vereist twee extra VoIP-kanalen in de communicatieserver.

Bandbreedtegebied

Wijs de telefoon hier aan een reeds gedefinieerd bandbreedtegebied toe.

„Mitel telefoons met SIP-kabel registreren” Inbedrijfstelling

Mitel One

Table 32. Instellingen voor aansluitingsinterface Analoog

Parameter

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen gebruiker/pool

De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker.

Table 33. Verdere instellingen

Parameter

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotlinebestemming toewijzen(Configuratie / Gebruiker weergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Multilijnen

Het maximumaantal persoonlijke lijnen dat kan worden gebruikt door de SIP-telefoon wordt hier aangegeven. Het aantal KT-lijnen en telefoniste(n/s)lijnen wordt op de achtergrond berekend en aan deze waarde toegevoegd.

Note:

Deze waarde is niet verbonden met het aantal beschikbare lijntoetsen op de SIP-telefoon.

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Note:

Als de analoge poort wordt gebruikt als deurintercomsysteem (FXS-modus = 2-draads deur), dan is Force Call Waiting altijd geactiveerd.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Als de analoge poort als deurintercomsysteem wordt gebruikt (FXS-modus = 2-draads deur), dan is de speciale beltoon altijd geactiveerd.

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

Table 34. Verbindingsinstellingen

Parameter

Uitleg

Status

Geeft aan of de telefoon is geregistreerd op de communicatieserver en dus beschikbaar is.

IP-adres

Toont het IP-adres van de telefoon, als dit is geregistreerd op de communicatieserver.

SIP-gebruikersnaam

Tekenreeks gegenereerd door WebAdmin. Indien mogelijk gebruikt WebAdmin het gebruikersnummer toegewezen aan de telefoon.

SIP-wachtwoord

Willekeurige tekenreeks gegenereerd door WebAdmin.

Transportprotocol

TCP (niet configureerbaar)

Verbinding behouden inschakelen

selectievakje-aangevinkt00836.png De communicatieserver stuurt periodiek berichten naar de SIP-telefoon (OPTIONS) om de NAT-verbinding te onderhouden. Dit is nodig als bijvoorbeeld de SIP-telefoon is verbonden met de communicatieserver via het openbare IP-netwerk.

RTP-gegevens via communicatieserver doorgeven (Indirecte schakeling)

Indirect schakelen: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens doorgestuurd via de communicatieserver en niet rechtstreeks. Dit kan helpen bij het oplossen van NAT- en firewallproblemen.

Note:

Indirect schakelen vereist twee extra VoIP-kanalen in de communicatieserver.

Bandbreedtegebied

Wijs de telefoon hier aan een reeds gedefinieerd bandbreedtegebied toe.

Actieve lijnbewaking (met sessievernieuwing)

Controleert met de sessievernieuwingsmethode op regelmatige intervallen, of de verbinding met het externe station op afstand nog steeds actief is. Als het externe station niet binnen de hier gedefinieerde sessievernieuwingsperiode reageert, dan wordt de verbinding verbroken.

Table 35. Scherminstellingen

Parameter

Uitleg

Schermbeveiliging op tijdstip

Inschakelen om de telefoon inactief te houden.

Analoge telefoons en aansluitingen (Analoog)

Table 36. Instellingen voor aansluitingsinterface Analoog

Parameter

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen poort

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of aan een fysieke connector of de toewijzing wordt gewist . De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één poort. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude. Er kan slechts één telefoon worden verbonden met een analoge interface.

Toegewezen gebruiker/pool

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of de toewijzing wordt gewist . De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude.

Displaytaal

Telefoontaalgebruikersinterface.

MWI-modus

De instelling die nodig is om de melding weer te geven, is afhankelijk van het type communicatieserver en de verbonden analoge telefoon. De MiVoice Office 400-communicatieservers ondersteunen frequency shift keying (FSK) en laagspanning (laagspanning wordt voornamelijk gebruikt voor telefoons in de VS/Canada). Mitel 470 en Mitel SMBC ondersteunen ook polariteitsomkering. Bovendien ondersteunt Mitel SMBC hoogspanning. Sommige analoge telefoons hebben ook een MWI-switch (bv. Mitel 6730-analoog).

Tip:

Zet voor het instellen van Ompoling de schakelaar van de telefoon (b.v. 6730 Analoog) op het symbool "-".

  • Als de MWI-LED knippert (bericht beschikbaar) en uit is (geen bericht beschikbaar), dan staat de schakelaar goed.
  • Als de MWI-LED brandt (bericht beschikbaar) en knippert (geen bericht beschikbaar), staat de schakelaar verkeerd.

Telefoonvergrendeling: Instellen huidige status

Gratis: De telefoon wordt niet vergrendeld.

Vergrendelingsinstellingen Het configuratiemenu wordt vergrendeld.

Telefoonvergrendeling: De telefoon wordt vergrendeld en uw eigen gegevens zijn beveiligd zijn tegen bekijken. U kunt de oproepnummers configureren die kunnen worden gebeld voor uitgaande gesprekken via een speciale, interne en externe cijferblokkering (weergave gebruikers/machtigingsset, instellingen, interne cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling) en externe cijferblokkering (gebruikt bij telefoonvergrendeling)).

Table 37. Verdere instellingen

Parameter 14

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotlinebestemming toewijzen(Configuratie / Gebruiker weergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Note:

Als de analoge poort wordt gebruikt als deurintercomsysteem (FXS-modus = 2-draads deur), dan is Force Call Waiting altijd geactiveerd.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigd belpatroon).

Note:

Als de analoge poort als deurintercomsysteem wordt gebruikt (FXS-modus = 2-draads deur), dan is de speciale beltoon altijd geactiveerd.

Transformeer *7' in '*739

Als deze analoge aansluiting de functie * 7 verzendt, dan wordt dit geconverteerd naar * 739 in de communicatieserver.

Note:

Deze optie is bedoeld voor de alarmsignaleringsoplossing met speciale analoge aansluitingen, die zijn geüpgraded naar MiVoice Office 400. Alle andere functiecodes die beginnen met *7 (b.v. *74 Switch-stuuruitgang) kunnen langer worden gebruikt op deze interfaces.

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

Table 38. Verbindingsinstellingen

Parameter

Uitleg

Faxapparaat

Met deze parameter kunt u het apparaattype op de analoge interface configureren:

Geen faxapparaat: De aansluiting is geen faxapparaat. Spraakverbinding wordt tot stand gebracht.

Faxapparaat (T.38): Faxapparaat zonder spraak- en voicemailsysteem. Voor verbindingen via IP wordt wanneer mogelijk een T.38-verbinding opgezet.

Combo-apparaat (Voice/T.38): Faxapparaat met spraak- en/of voicemailsysteem. Eerst wordt een spraakverbinding tot stand gebracht. Bij het verzenden van faxgegevens, kunt u indien mogelijk het beste overschakelen naar een T.38-verbinding in het geval van verbindingen via IP.

Fax via VoIP (G.711): Verzenden van faxgegevens als spraakgegevens op het IP-netwerk. Het G.711-protocol wordt altijd gebruikt.

Note:

Deze instelling kan ook gemaakt worden voor analoge interface-configuratie.

Mobiele- of externe telefoon (Mobiel/extern)

Table 39. Instellingen voor aansluitingsinterface Mobiel/extern

Parameter

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen gebruiker/pool

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of de toewijzing wordt gewist . De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude.

Route

Deze route wordt gebruikt als het interne telefoonnummer van de geïntegreerde mobiele telefoon wordt gekozen en er vervolgens een externe oproep wordt gemaakt naar het opgeslagen mobiele telefoonnummer.

Mobiele-/externe telefoonnummer

Voer hier het externe telefoonnummer van de telefoon in.

Gebruik de CLIP voor authenticatie

selectievakje-aangevinkt00815.png Het telefoonnummer en wachtwoord dat is ingevoerd om de geïntegreerde mobiele telefoon te verifiëren, zijn niet nodig.

CLIP-selectie

Normaal: Als het snelkiesnummer van de bellende gebruiker als CLIP wordt gebruikt, ongeacht van de instellingen. Als er geen overeenkomend snelkiesnummer is, dan wordt in plaats daarvan het interne telefoonnummer gebruikt.

CLIP van de gebruiker: Het CLIP-nummer wordt spoedig gecreëerd, bijvoorbeeld voor een oproep naar het openbare netwerk. In dit geval zijn de CLIP-instellingen van de bellende gebruiker doorslaggevend.

Uitgebreide functionaliteit

De uitgebreide functie versterkt de integratie van de mobiele telefoon en maakt extra suffixkiezen-functies mogelijk, b.v. inlichtingenoproepen of conferentieopzetten.

Note:

Voor de verbeterde functionaliteit moeten GSM-spraakkanalen worden geconfigureerd in het systeem/DSP.

MWI-route

Route voor MWI-signalering (nieuw voicemailspraakbericht) naar de geïntegreerde mobiele telefoon.

MWI CLIP

De CLIP voor MWI-signalering (nieuw voicemailspraakbericht) naar de geïntegreerde mobiele telefoon hier wordt ingevoerd. (invoerindeling hetzelfde als een extern telefoonnummer bijv. 00326553827). De CLIP wordt verzonden in overeenstemming met de Transit CLIP-formaatparameter voor de instellingen van de trunkgroep.

Inlichtingenoproepen d.m.v. DTMF-A

Afhankelijk van de configuratie wordt een inlichtingenoproep op een mobiele- of externe telefoon geactiveerd met het DTMF-teken A of met de DTMF-tekens ***. De communicatieserver interpreteert beide als inlichtingenoproep (standaardinstelling). De stem van de gebruiker kan echter worden geïnterpreteerd als DTMF-signaal A en kan onwillekeurig een inlichtingenoproepen activeren. Om dit te voorkomen, moet u de mobiele of externe telefoon zodanig configureren dat deze het DTMF-signaal *** voor de informatieoproep verstuurt en deactiveer vervolgens de parameter selectievakje-uitgevinkt00817.png Aanvraaggesprek via DTMF-A.

Table 40. Verdere instellingen

Parameter

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotline-bestemming toewijzen (Configuratie/gebruikersweergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

Mobiele telefoons met MMC (Mitel Mobile Client)

Table 41. Instellingen aansluitingsinterface Mitel Mobile Client

Parameter

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen gebruiker/pool

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of de toewijzing wordt gewist . De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude.

MMC-controller

Wijs de mobiele telefoon hier een open MMC-controller toe. MMC-controllers worden geopend in de weergave Services/MMC-controllers.

Mobiele telefoonnummer

Voer het externe telefoonnummer van de mobiele telefoon in.

Statische roaming

Gesprek in de wacht

Oproepomkeerfunctie

Table 42. Verdere instellingen

Parameter

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotline-bestemming toewijzen (Configuratie/gebruikersweergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

Table 43. Verbindingsinstellingen

Parameter

Uitleg

IP-adres

Toont het IP-adres van de mobiele telefoon

SIP-poort

De poort voor de SIP-signaleringsdata wordt hier weergegeven.

SIP-gebruikersnaam

Tekenreeks gegenereerd door WebAdmin. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn. Indien mogelijk gebruikt WebAdmin het gebruikersnummer toegewezen aan de telefoon.

SIP-wachtwoord

Willekeurige tekenreeks gegenereerd door WebAdmin. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn.

Transportprotocol

UDP of TCP (niet configureerbaar)

Aansluiting bevindt zich achter NAT

Stel deze parameter inselectievakje-aangevinkt00824.png, als de telefoon zich op een ander subnet bevindt en alleen toegankelijk is via een NAT-router.

Verbinding behouden inschakelen

De communicatieserver verzendt periodiek berichten naar de SIP-telefoon (OPTIES) om de NAT-verbinding in stand te houden. Dit is nodig als bijvoorbeeld de SIP-telefoon is verbonden met de communicatieserver via het openbare IP-netwerk.

Stuur doorschakelgegevens

Met doorschakelgegevens kan de opgeroepen partij zien of de oproep werd doorgeschakeld en, zo ja, door wie. Er worden voor dit doel twee verschillende methoden gedefinieerd voor SIP. De parameter kan zowel voor elk SIP-provider als voor elke SIP-telefoon worden geconfigureerd.

Nee: Er wordt geen doorschakelen/doorschakelgegevens weergegeven.

Ja, m.b.v. "Doorschakelkoptekst (recurserend)": Doorschakelen/doorschakelgegevens worden alleen weergegeven in het geval van inkomende gesprekken. De oproep wordt doorgestuurd in de communicatieserver.

Ja, m.b.v. "Doorschakelkopregel (niet-recurserend)": De gespreksdoorschakeling voor uitgaande oproepen is indirect, waarbij de communicatieserver 'Response 302' (Tijdelijk Verplaatst) terugstuurt met de nodige doorschakelgegevens naar de SIP-telefoon. De SIP-telefoon maakt vervolgens zelf de oproep naar de doorschakelbestemming en toont de doorschakelgegevens op zijn eigen scherm.

Note:

Gespreksdoorschakeling met Respons 302 is niet in alle gevallen mogelijk.

Relayeren RTP-gegevens via communicatieserver

Indirecte omschakeling: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens doorgestuurd via de communicatieserver en niet rechtstreeks. Dit kan helpen bij het oplossen van NAT- en firewallproblemen.

Direct schakelen: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens rechtstreeks doorgestuurd.

Note:

Indirect schakelen vereist twee extra VoIP-kanalen in de communicatieserver.

Bandbreedtegebied

Wijs de telefoon hier aan een reeds gedefinieerd bandbreedtegebied toe.

Actieve lijnbewaking (met sessievernieuwing)

Controleert met de sessievernieuwingsmethode op regelmatige intervallen, of de verbinding met het externe station op afstand nog steeds actief is. Als het externe station niet binnen de hier gedefinieerde sessievernieuwingsperiode reageert, dan wordt de verbinding verbroken.

SIP-telefoons en SIP-aansluitingen (Standaard SIP)

Table 44. Instellingen voor aansluitingsinterface Standaard-SIP

Parameter

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen gebruiker/pool

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of de toewijzing wordt gewist . De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude.

Forceer UDP gebruik

Voorkomt belvertragingen bij standaard SIP-telefoons die alleen UDP verwerken, maar niet TCP.

Table 45. Verdere instellingen

Parameter

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotline-bestemming toewijzen (Configuratie/gebruikersweergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Multilijnen

Het maximumaantal persoonlijke lijnen dat kan worden gebruikt door de SIP-telefoon wordt hier aangegeven. Het aantal KT-lijnen en telefoniste(n/s)lijnen wordt op de achtergrond berekend en aan deze waarde toegevoegd.

Note:

Deze waarde is niet verbonden met het aantal beschikbare lijntoetsen op de SIP-telefoon.

Conferentiecircuit

Hier kan worden opgegeven of een conferentie met drie partijen in de telefoon zelf moet worden gevoerd of in de communicatieserver.

Note:

Deze parameter kan alleen worden geconfigureerd wanneer ten minste twee lijnen worden opgezet (Multilijnen- instelling).

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

Table 46. Verbindingsinstellingen

Parameter

Uitleg

Status

Geeft aan of de telefoon is geregistreerd op de communicatieserver en dus beschikbaar is.

IP-adres

Toont het IP-adres van de telefoon, als dit is geregistreerd op de communicatieserver.

SIP-poort

De poort voor de SIP-signaleringsdata wordt hier weergegeven.

MBG-controller

Kies een MBG-controller uit de lijst, indien de telefoon wordt gebruikt als een Telewerker via een Mitel Border Gateway.

SIP-gebruikersnaam

Tekenreeks gegenereerd door WebAdmin. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn. Indien mogelijk gebruikt WebAdmin het gebruikersnummer toegewezen aan de telefoon.

SIP-wachtwoord

Willekeurige tekenreeks gegenereerd door WebAdmin. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn.

MBG SIP gebruikersnaam

Als de telefoon wordt gebruikt als telewerker via een Mitel Border Gateway, dan wordt deze extra tekenreeks gegenereerd door WebAdmin, zodat de telefoon zich kan aanmelden bij de MBG-controller. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn. Indien mogelijk gebruikt WebAdmin het gebruikersnummer toegewezen aan de telefoon.

MBG SIP wachtwoord

Als de telefoon wordt gebruikt als telewerker via een Mitel Border Gateway, dan wordt deze extra willekeurige tekenreeks gegenereerd door WebAdmin, zodat de telefoon zich kan aanmelden bij de MBG. Deze kan worden bewerkt, maar moet specifiek zijn.

Gebruikt transportprotocol

UDP of TCP (niet configureerbaar)

Verbinding behouden inschakelen

selectievakje-aangevinkt00836.png De communicatieserver stuurt periodiek berichten naar de SIP-telefoon (OPTIONS) om de NAT-verbinding te onderhouden. Dit is nodig als bijvoorbeeld de SIP-telefoon is verbonden met de communicatieserver via het openbare IP-netwerk.

Stuur doorschakelgegevens

Met doorschakelgegevens kan de opgeroepen partij zien of de oproep werd doorgeschakeld en, zo ja, door wie. Er worden voor dit doel twee verschillende methoden gedefinieerd voor SIP. De parameter kan zowel voor elk SIP-provider als voor elke SIP-telefoon worden geconfigureerd.

Nee: Er wordt geen doorschakelen/doorschakelgegevens weergegeven.

Ja, m.b.v. "Doorschakelkoptekst (recurserend)": Doorschakelen/doorschakelgegevens worden alleen weergegeven in het geval van inkomende gesprekken. De oproep wordt doorgestuurd in de communicatieserver.

Ja, m.b.v. "Doorschakelkopregel (niet-recurserend)": De gespreksdoorschakeling voor uitgaande oproepen is indirect, waarbij de communicatieserver 'Response 302' (Tijdelijk Verplaatst) terugstuurt met de nodige doorschakelgegevens naar de SIP-telefoon. De SIP-telefoon maakt vervolgens zelf de oproep naar de doorschakelbestemming en toont de doorschakelgegevens op zijn eigen scherm.

Note:

Gespreksdoorschakeling met Respons 302 is niet in alle gevallen mogelijk.

Relayeren RTP-gegevens via communicatieserver

Indirect schakelen: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens doorgestuurd via de communicatieserver en niet rechtstreeks. Dit kan helpen bij het oplossen van NAT- en firewallproblemen.

selectievakje-uitgevinkt00838.png Direct schakelen: Tijdens het instellen van de verbinding met een ander IP-eindpunt worden de spraakgegevens rechtstreeks doorgestuurd.

Note:

Indirect schakelen vereist twee extra VoIP-kanalen in de communicatieserver.

Faxapparaat

Selecteer, als de SIP-aansluiting een faxapparaat of een gecombineerd toestel is (fax/telefoon), het type apparaat. De telefoonapplicatie heeft altijd voorrang boven de faxapplicatie.

Bandbreedtegebied

Wijs de telefoon hier aan een reeds gedefinieerd bandbreedtegebied toe.

Expresberichten ondersteund (MS-RP)

MSRP is een protocol dat wordt gebruikt om gegevens uit te wisselen tussen SIP-cliënten.

Als het externe station ook MSRP ondersteunt, kan bijvoorbeeld online nieuws worden uitgewisseld (chat).

Note:

Er is een licentie is vereist om MSRP te gebruiken voor externe applicaties (b.v. SIP-cliënten).

De aansluiting ondersteunt sessievervanging

Actieve lijnbewaking (met sessievernieuwing)

Controleert met de sessievernieuwingsmethode op regelmatige intervallen, of de verbinding met het externe station op afstand nog steeds actief is. Als het externe station niet binnen de hier gedefinieerde sessievernieuwingsperiode reageert, dan wordt de verbinding verbroken.

Bellende-partij-info E.164 compliant

De standaard SIP-telefoon vereist het E.164-formaat (d.w.z. canoniek formaat) in de koptekst „van”, „contact” en „PAI” van het juiste SIP-bericht (bijvoorbeeld INVITE).

Maakt MWI-kennisgeving mogelijk zonder abonnement

De SIP-telefoon krijgt via het „SIP-notificatiebericht” wel een indicatie voor het wachten op berichten (MWI) zonder eerst een „SIP Subscribe for MWI-bericht” te verzenden.

Gebruik SAVP voor SRTP

De standaard SIP-telefoon ondersteunt Secure Audio Video Profile (SAVP). Dit wordt gespecificeerd in de mediaregel (m-regel) van het sessiebeschrijvingsprotocol (SDP).

„Mitel telefoons met SIP-kabel registreren” Inbedrijfstelling

ISDN-telefoons en aansluitingen (BRI S-bus)

Table 47. Instellingen voor aansluitingsinterface BRI-S-Bus

Parameter

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen poort

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of aan een fysieke connector of de toewijzing wordt gewist . De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één poort. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude. Er kunnen maximaal acht telefoons worden aangesloten op één BRI-S-interface.

Toegewezen gebruiker/pool

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of de toewijzing wordt gewist . De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude.

Table 48. Verdere instellingen

Parameter

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotline-bestemming toewijzen (Configuratie/gebruikersweergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

Table 49. Verbindingsinstellingen

Parameter

Uitleg

Faxapparaat

Met deze parameter kunt u het apparaattype op de BRI-S-interface configureren:

Geen faxapparaat: De aansluiting is geen faxapparaat. Spraakverbinding wordt tot stand gebracht.

Faxapparaat (T.38): Faxapparaat zonder spraak- en voicemailsysteem. Voor verbindingen via IP wordt wanneer mogelijk een T.38-verbinding opgezet.

Combo-apparaat (Voice/T.38): Faxapparaat met spraak- en/of voicemailsysteem. Eerst wordt een spraakverbinding tot stand gebracht. Bij het verzenden van faxgegevens, kunt u indien mogelijk het beste overschakelen naar een T.38-verbinding in het geval van verbindingen via IP.

Fax via VoIP (G.711): Verzenden van faxgegevens als spraakgegevens op het IP-netwerk. Het G.711-protocol wordt altijd gebruikt.

Virtuele telefoons (Virtueel)

Table 50. Instellingen voor aansluitingsinterface Virtueel

Parameter

Uitleg

Aansluitingstype

Telefoonmodelaanduiding.

Beschrijving

U kunt hier een helptekst intypen om de telefoon aan te passen aan uw criteria. Deze tekst wordt alleen hier weergegeven.

Toegewezen gebruiker/pool

Hier wordt de telefoon toegewezen aan een gebruiker of de toewijzing wordt gewist . De telefoon kan slechts worden toegewezen aan één gebruiker. Een nieuwe toewijzing overschrijft de oude.

Table 51. Verdere instellingen

Parameter

Uitleg

Hotlinetelefoonnummer

Als u hier een telefoonnummer invoert, wordt dit nummer gekozen zodra de gebruiker beslag legt op een lijn en de hotlinevertraging is verstreken. U kunt ook gewoon een deel van het nummer invoeren. De gebruiker kan dan de rest van het nummer zelf invoeren.

Note:

Als alternatief kunt u de gebruiker een vooraf geconfigureerde hotline-bestemming toewijzen (Configuratie/gebruikersweergave). De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang op de gebruikersconfiguratie.

Hotlinevertraging(en)

Vertraging tussen de configuratie en het automatisch kiezen van het hotlinetelefoonnummer. Als de gebruiker gedurende deze tijd (of deel daarvan) handmatig een telefoonnummer kiest, dan wordt het hotlinetelefoonnummer niet gebeld.

Alarmbestemmingen

Hier kunt u een van de gedefinieerde alarmbestemmingen aan de telefoon toewijzen. Wanneer een noodnummer van het interne nummerplan wordt gebeld, wordt een van de drie oproepnummers van de noodbestemming gebeld, gebaseerd op de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Note:

Als aan de telefoon geen alarmbestemming is toegewezen, dan wordt een van de drie telefoonnummers van de alarmbestemming die zijn toegewezen aan het knooppunt gebeld. De configuratie hier (op de telefoon) heeft voorrang.

Noodlocatie

Hier kunt u elk van de gedefinieerde noodlocatiedatasets toewijzen aan het telefoon. Wanneer een oproepnummer uit de openbare noodnummerlijst wordt gebeld, reageert het systeem met specifieke acties: De locatie van de beller wordt naar de provider gestuurd, er wordt een BHV-team (bedrijfshulpverlening) geïnformeerd, er gaan alarmen af en logboeken worden bijgewerkt. Meer informatie vindt u in het focusonderwerp „Ondersteuning van hulpdiensten”.

Wisselgesprek forceren

De gebelde gebruiker wordt op de hoogte gesteld via een wisselgesprek, zelfs als ze ertegen zijn beschermd.

Speciale beltoon

De gebelde gebruiker hoort een speciale beltoon (gewijzigde belpatroon).

Note:

Dit werkt alleen als de aansluiting van de gebelde gebruiker deze functie ondersteunt (MiVoice 5300-telefoons of analoge telefoons, maar bijvoorbeeld niet voor Mitel SIP-telefoons).

PSTN-overflow.

Nee: Er kan geen PSTN-overflow worden gemaakt met deze telefoon.

Indien nodig: Op deze telefoon wordt de verbinding tot stand gebracht via PSTN wanneer de verbinding niet via het IP-netwerk tot stand kan worden gebracht (de PSTN-overflow moet zijn ingesteld)

Permanent: Op deze telefoon worden alle verbindingen tot stand gebracht via PSTN en niet via het IP-netwerk (de PSTN-overflow moet worden ingesteld).

Regio

Regio van de telefoon in het AIN

1 Afhankelijk van het model
2 Afhankelijk van het model
3 Afhankelijk van het model
4 Afhankelijk van het model
5 Afhankelijk van het model
6 Afhankelijk van het model
7 Afhankelijk van het model
8 Afhankelijk van het model
9 Afhankelijk van het model
10 Afhankelijk van het model
11 Afhankelijk van het model
12 Afhankelijk van het model
13 Afhankelijk van het model
14 Afhankelijk van het model