Het systeem configureren voor de noodondersteuningsdienst
Het systeem configureren voor de noodondersteuningsdienst
In het algemeen zijn de stappen optioneel. Hoe minder is geconfigureerd, hoe minder nauwkeurig de noodlocatie is tot helemaal geen informatie als niets is geconfigureerd.
-
Creëer de vereiste interne BHV-teams (
=wu) en voeg leden (gebruikers) toe aan de teams. Vink het selectievakje voor email aan als de leden een aanvullende emailmelding moeten ontvangen. Een BHV-team kan verantwoordelijk zijn voor meerdere locaties, maar als de locaties ver uit elkaar liggen,dan zijn meerdere van dergelijke teams vereist. -
Creëer en benoem een noodlocatiegegevensset (
=c0) voor elke locatie, inclusief de officiële noodlocatie-ID, de route die moet worden gebruikt voor de noodoproep en een infotekst die moet worden getoond aan het interne BHV-team en/of de Hospitality Manager. Voeg extra emailadressen toe indien nodig. -
Indien LCR wordt gebruikt in de systeemconfiguratie, zorg er dan voor dat in alle routes die gebruikt worden voor noodoproepen, het selectievakje
LCR onderdrukken is aangevinkt (
=ws). -
Wijs een noodlocatie toe aan het hele systeem (
=ty). Dit is handig voor kleine systemen, wanneer alle terminals de locatie-id delen (zich op dezelfde plaats bevinden). -
Wijs een noodlocatie toe aan alle AIN-knooppunten (
=3q). Dit is nuttig wanneer elk gebouw wordt bediend door haar eigen AIN knooppunt. -
Wijs een noodlocatie toe aan alle DECT-radio-units (
=sa). Dit is handig wanneer de radio-units zijn verspreid over verschillende gebouwen maar (vanwege problemen met de synchronisatie) allemaal zijn aangesloten op hetzelfde AIN-knooppunt. -
Definieer een tabel met IP-adresbereiken en wijs een noodlocatie toe aan elk bereik (
=g3). Dit is handig wanneer de IT-afdeling elk gebouw / verdieping / kantoor een ander bereik van IP-adressen toekent en daarom kan de communicatieserver de noodlocatie bepalen vanaf het IP-adres, zelfs als de terminal zich verplaatst. -
Wijs een noodlocatie toe aan alle afzonderlijke aansluitingen (
=qd). Dit is handig als bepaalde terminals niet voldoen aan de regel voor het AIN-knooppunt waarmee ze zijn verbonden of voor SIP of IP-aansluitingen die op fixlocaties zijn geïnstalleerd maar niet op de masterlocatie. -
De IT-afdeling van het bedrijf configureert hun schakelaars, zodat ze de noodlocatie-ID doorgeven naar de Mitel SIP-telefoons via het LLDP-protocol. Dit kan worden toegepast wanneer de schakelaars dit ondersteunen. Daarna kan de gebruiker gewoon zijn/haar Mitel SIP-aansluiting van de ene naar de andere plaats verplaatsen en de noodlocatie wordt automatisch aangepast.
-
Configureer voor alle trunkgroepen (
=56) die voor privé-netwerkdoeleinden worden gebruikt als standaardlocatie-ID. Hierbij wordt uitgegaan van de veronderstelling dat alle gesprekken vanaf daar zich op dezelfde locatie bevinden. -
Configureer voor alle trunkgroepen (
=56) die verbonden zijn met het openbare netwerk welk protocol gebruikt zal worden om de noodlocatie-ID naar de provider te sturen. Merk op dat deze instelling afhankelijk is van het netwerktype, de provider en het land. -
Configureer alle alarmnummers, waarvoor een locatie-ID moet worden verzonden, in de openbare alarmnummerlijst (
=we). Wanneer de routering detecteert dat een van deze nummers wordt gebeld, bepaalt het de juiste noodlocatie-id voor de oproepende terminal en neemt deze op in de uitgaande oproep. Vermijd conflicten met openbare alarmnummers met het interne nummerschema.