Alarmbestemmingen

Alarmbestemmingen zijn interne of externe oproepbestemmingen die worden gekozen wanneer een gebruiker een van de alarmnummers belt die zijn gedefinieerd in het interne nummerschema. Voor elke alarmbestemming kunt u 3 oproepbestemmingen opslaan, één voor elk van de 3 schakelposities van een schakelgroep.

Alarmbestemmingen

In het interne nummerschema (=g4) kunnen in totaal 10 alarmnummers worden aangemaakt. De alarmnummers worden gebruikt om snel een telefoonnummer te kunnen kiezen dat voor een bepaalde alarmbestemming is gedefinieerd. Wanneer een alarmnummer wordt gekozen, dan wordt een van de 3 bestemmingsnummers gekozen op basis van de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep.

Alle interne alarmnummers kiezen de alarmbestemming, gedefinieerd op het knooppunt (=3q). (Uitzondering: Een alarmbestemming wordt toegewezen aan een aansluiting, zie ook onderstaande opmerkingen).

Er kunnen 50 alarmbestemmingen worden gedefinieerd. De standaardwaarde is alarmbestemming 1.

notes:
  • In een AIN is het toepasbare knooppunt afhankelijk van het aansluitingstype: Voor IP-systeemtelefoons en SIP-telefoons is dit het masterknooppunt. Voor systeem-DECT-telefoons is dit het knooppunt waarop de telefoon zich op dat moment bevindt. Voor analoge- en digitale telefoons is dit het knooppunt waarmee de telefoon is verbonden.
  • Een alarmbestemming kan ook aan een aansluiting worden toegewezen. Als een alarmnummer op een dergelijke aansluiting wordt gekozen, dan wordt een van de bestemmingsnummers van deze alarmbestemming gekozen, afhankelijk van de schakelpositie van de toegewezen schakelgroep. Een alarmbestemming toegewezen aan een aansluiting heeft altijd prioriteit.
  • Wanneer een externe bestemming wordt gekozen via het alarmnummer, dan worden de nummerblokkering en de exchangetoegangssautorisatie omzeild.
  • Als een externe bestemming met exchange-toegangskengetal is gespecificeerd, dan is het belangrijk om ervoor te zorgen dat aan elke gebruiker een route wordt toegewezen.
  • Het bellen van een alarmnummer gedefinieerd in het interne nummerschema is totaal anders dan het bellen van een nummer uit de openbare alarmnummerlijst (zie ook focusonderwerp "Nooddienstenondersteuning").

Alarmbestemmingen creëren en toewijzen

  1. Klik op het symbool en geef de alarmbestemming een naam.

  2. Selecteer een schakelgroep

  3. Voer de telefoonnummers van de alarmnummers voor alle drie schakelposities in.
  1. Bevestig de invoer met .
  2. Wijs de gemaakte alarmbestemming toe aan het knooppunt (en) en/of aan de aansluiting(en).

Note:

Voeg het exchange-toegangskengetal in tijdens het invoeren van externe telefoonnummers.

Alarmbestemmingen wissen

Als u bestemmingen voor alarmoproepbestemmingen wilt verwijderen, dan klikt u op het symbool.

Note:

Alleen alarmbestemmingen niet toegewezen aan een knooppunt of aansluiting kunnen worden verwijderd.

Interne alarmnummers creëren

U kunt alarmnummers rechtstreeks in het nummerschema creëren:

  1. Klik in het nummerschema (=g4) op de Nieuw knop.

  2. Voer het alarmnummer in onder Telefoonnummer.

  3. Kies uit de categorie Alarmnummer.

  4. Voltooi de invoer door op de Toepassen knop te klikken.

Zie ook...

"Nooddienstenondersteuning".