Berichtenbestemmingen
Configureer hier de bestemmingen voor gebeurtenisberichten en wijs ze toe aan een gebeurtenissentabel. Vervolgens controleert u de configuratie door middel van een testgebeurtenisbericht.
In deze weergave hebt u een overzicht van mogelijke berichtenbestemmingen en ziet u of deze zijn geactiveerd
of niet
. Als u op een van de pictogrammen
aan de linkerkant klikt, krijgt u toegang tot de configuratie van de individuele berichtenbestemmingen, zodat u ze kunt toewijzen aan een gebeurtenissentabel en een testgebeurtenisbericht kunt versturen.
Na een eerste-ingebruikname worden alle gebeurtenissentabellen toegewezen aan een berichtenbestemming. (Uitzondering: Lokale bestemming en SNMP-bestemming gebruik deze gebeurtenissentabel.) U kunt gebeurtenissentabellen toewijzen aan meerdere of geen berichtenbestemmingen
|
Tariefvermenigvuldigerwaarde |
Kosten |
|
Systeemtelefoon 1 |
Gebeurtenisberichten worden naar alle telefoons met een display verzonden, die zijn opgenomen in berichtengroep 16 (berichtengroep 8 voor Mitel 415/430). Zie Diensten / Berichten-/Aankondigingsgroep weergeven. De toegewezen gebeurtenissentabel 1 (standaard) wordt vooraf geconfigureerd voor gemeenschappelijk gebruik. |
|
Systeemtelefoon 2 |
Gebeurtenisberichten worden naar alle telefoons met een display verzonden, die zijn opgenomen in berichtengroep 15 (berichtengroep 7 voor Mitel 415/430). Zie Diensten / Berichten-/Aankondigingsgroep weergeven. De toegewezen gebeurtenissentabel 8 (standaard) wordt vooraf geconfigureerd voor receptieaansluitingen in hospitalityomgevingen. |
|
Emailbestemmingen |
Als de e-mailclient is geïntegreerd in de communicatieserver, kunnen gebeurtenisberichten naar interne of externe emailbestemmingen worden verzonden. Voorwaarde is wel dat de toegang tot de SMTP-server van de emailserviceprovider moet worden ingesteld (zie IP-netwerk / SMTP-server ). |
|
SNMP-bestemming |
SNMP staat voor "Simple Network Management Protocol" en wordt gebruikt door netwerkbeheersystemen (NMS). Als het Netwerkbeheersysteem de potentiële gebeurtenissen van het communicatiesysteem moet kennen, moeten de overeenkomstige systeemcomponenten worden gedefinieerd in de vorm van configureerbare objecten (Beheerde Objecten: MO). Deze objecten en de gerelateerde gebeurtenisberichten worden opgeslagen in een objectenbibliotheek die de Managementigegevensbasis (MIB) wordt genoemd. De huidige MIB-versie kan worden gedownload van https://pbxweb.aastra.com De gebruikersnaam en het wachtwoord zijn nodig om toegang te krijgen tot de gegevens. Hiervoor moet registratie bij "Mitel Applicatiepartnerprogramma" beschikbaar zijn. |
|
Gebeurtenissenlogboek |
Gebeurtenisberichten worden geregistreerd in WebAdmin in de Onderhoud / Systeemgebeurtenissen / Gebeurtenissenlogboek weergave. De laatste 254 gebeurtenisberichten zijn zichtbaar. Actieve gebeurtenisberichten en de laatste 10 Stroomstoringen worden in de afzonderlijke logboeken geregistreerd. Als het maximumaantal vermeldingen wordt overschreden, dan wordt de oudste record gewist. Indien actieve gebeurtenisberichten beschikbaar zijn, dan worden ze aangegeven aan de linkerkant onder het menuboomstructuur, met het |
|
Lokale bestemming |
Gebeurtenisberichten worden via een Ethernetverbinding of via een tijdelijk PPK-communicatiekanaal naar een lokale IP-bestemming (PC) verzonden (een aansluitingsadapter of modem). Note:
Voorvaltabellen en signaalbestemmingen moeten zodanig worden opgezet dat het voorvalbericht Externe bestemming voorvalbericht ontbreekt direct wordt gesignaleerd naar een nog steeds beschikbare signaalbestemming. |
|
Externe bestemming |
Gebeurtenisberichten worden via een tijdelijk PPK-communicatiekanaal naar Extern(e) IP-bestemming (PC) verzonden (een aansluitingsadapter of modem). Afgezien van een primaire IP-bestemming, kan ook een alternatieve IP-bestemming worden aangegeven. De volgende principes besturen de manier waarop voorvalberichten worden gesignaleerd naar een externe signaalbestemming:
Note:
Voorvaltabellen en signaalbestemmingen moeten zodanig worden opgezet dat het voorvalbericht Externe bestemming voorvalbericht ontbreekt direct wordt gesignaleerd naar een nog steeds beschikbare signaalbestemming. |
|
Alarmserver (ATAS) |
Bij deze berichtenbestemming worden gebeurtenisberichten naar een alarmserver verzonden met behulp van het ATAS-protocol. Dit kan een Mitel Alarm Server zijn of externe alarmserver. Het gebruik van het ATAS-protocol is onderhevig aan een licentie. |
|
SRM-bestemming |
Gebeurtenisberichten kunnen ook naar de SRM-server worden doorgestuurd. Afhankelijk van het urgentieniveau in de SRM-agent verandert dit de systeemstatus op de overeenkomstige communicatieserverlijn. De lijnkleur verandert op hetzelfde moment. Als de overeenkomstige positieve gebeurtenismelding later aankomt of als het gebeurtenisbericht wordt bevestigd in WebAdmin, dan worden de status en de kleur weer hersteld. De volgende systeemstatussen zijn gedefinieerd:
Note:
|
Systeemtelefoon
Configuratie:
-
Koppel de berichtenbestemming aan de gewenste gebeurtenissentabel.
-
Configureer in de gekoppelde gebeurtenissentabel de gewenste filtercriteria voor alle gebeurtenissen.
-
Test de configuratie door op de Verstuur testgebeurtenisbericht knop te klikken.
De berichtenbestemming Systeemtelefoon kan niet worden geactiveerd of gedeactiveerd. Nadat de systeemtelefoons zijn ingevoerd in Berichtengroep 8 of 16, worden gebeurtenisberichten uitgegeven volgens de filtercriteria van de gekoppelde gebeurtenissentabel op de systeemtelefoons.
Emailbestemmingen
Configuratie:
-
Klik op de knop om
maximaal vijf emailadressen te definiëren, elk met een Onderwerp. -
Activeer
de emailbestemming. -
Koppel de berichtenbestemming aan de gewenste gebeurtenissentabel.
-
Configureer in de gekoppelde gebeurtenissentabel de gewenste filtercriteria voor alle gebeurtenissen.
-
Kies onder Teksttaal de taal waarin de gebeurtenisberichten op de bestemming moeten worden weergegeven.
Note:De taalkeuze is ook van toepassing op de uitvoer bij de lokale bestemmingen en telefoons.
-
Test de configuratie door op de Verstuur testgebeurtenisbericht knop te klikken.
SNMP-bestemming
Configuratie:
-
Klik op de knop om
maximaal vijf SNMP-bestemmingen te definiëren door respectievelijk Naam, IP-adres of de Hostnaam en de Poort in te voeren. -
Activeer
de SNMP-bestemming. -
Koppel de berichtenbestemming aan de gewenste gebeurtenissentabel.
-
Configureer in de gekoppelde gebeurtenissentabel de gewenste filtercriteria voor alle gebeurtenissen.
-
Definieer de Servicepoort.
-
Test de configuratie door op de Verstuur testgebeurtenisbericht knop te klikken.
De SNMP-bestemming is verbonden met dezelfde gebeurtenissentabel als de lokale bestemming. Alle wijzigingen in de koppeling en/of filtercriteria voor de gekoppelde gebeurtenissentabel zijn ook van toepassing op de lokale bestemming.
Gebeurtenissenlogboek
-
Koppel de berichtenbestemming aan de gewenste gebeurtenissentabel.
-
Configureer in de gekoppelde gebeurtenissentabel de gewenste filtercriteria voor alle gebeurtenissen.
-
Test de configuratie door op de Verstuur testgebeurtenisbericht knop te klikken.
- Normaal wordt het signaalbestemminggebeurtenissenlogboek toegewezen aan Gebeurtenissentabel 4. Het filter in deze gebeurtenissentabel is vooraf geconfigureerd voor de meeste gebeurtenistypes, op zodanige wijze dat de gebeurtenisberichten in het gebeurtenissenlogboek worden ingevoerd zodra ze binnenkomen.
- De berichtenbestemming Gebeurtenissenlogboek kan niet worden geactiveerd of gedeactiveerd.
Lokale bestemming
Configuratie:
-
Activeer
de plaatselijke bestemming. -
Koppel de berichtenbestemming aan de gewenste gebeurtenissentabel.
-
Configureer in de gekoppelde gebeurtenissentabel de gewenste filtercriteria voor alle gebeurtenissen.
-
Kies de uitvoer Indeling.
-
Kies onder Teksttaal de taal waarin de gebeurtenisberichten op de bestemming moeten worden weergegeven.
Note:De taalkeuze is ook van toepassing op de uitvoer bij de emailbestemmingen en systeemtelefoons.
-
Kies onder IP-bestemming het Verbindingstype en configureer de bijbehorende parameters.
-
Test de configuratie door op de Verstuur testgebeurtenisbericht knop te klikken.
De plaatselijke bestemming is met dezelfde gebeurtenissentabel als de SNMP-bestemming verbonden. Alle wijzigingen in de koppeling en/of filtercriteria voor de gekoppelde gebeurtenissentabel zijn ook van toepassing op de SNMP-bestemming.
Externe bestemming
Configuratie:
-
Activeer
de externe bestemming. -
Koppel de berichtenbestemming aan de gewenste gebeurtenissentabel.
-
Configureer in de gekoppelde gebeurtenissentabel de gewenste filtercriteria voor alle gebeurtenissen.
-
Kies onder Primaire IP-bestemming en onder Alternatieve IP-bestemming het Verbindingstype en configureer vervolgens de bijbehorende parameters.
-
Test de configuratie door op de Verstuur testgebeurtenisbericht knop te klikken.
Alarmserver (ATAS)
Configuratie:
-
Activeer
de alarmserverbestemming. -
Koppel de berichtenbestemming aan de gewenste gebeurtenissentabel.
-
Configureer in de gekoppelde gebeurtenissentabel de gewenste filtercriteria voor alle gebeurtenissen.
-
Test de configuratie door op de Verstuur testgebeurtenisbericht knop te klikken.
SRM-bestemming
Vereiste: De verbinding met de SRM-server wordt ingesteld.
Configuratie:
-
Activeer
de SRM-bestemming. -
Koppel de berichtenbestemming aan de gewenste gebeurtenissentabel.
-
Configureer in de gekoppelde gebeurtenissentabel de gewenste filtercriteria voor alle gebeurtenissen.
Note:Gebeurtenisberichten die niet Ernstig of Cruciaal zijn, worden niet naar de SRM server gestuurd. Houd hier rekening mee tijdens het configureren van de gekoppelde gebeurtenissentabel. De urgentie van de afzonderlijke gebeurtenisberichten is opgenomen in de tabel "Gebeurtenissentypes, in alfabetische volgorde".
-
Voer het IP-adres of Hostnaam van de SRM-server in.
-
Gebruik de standaardwaarde (443) als Poort.
-
Voer voor de parameter Host basis Uri, srm in.
-
Voer een gebruikersnaam en wachtwoord in. Het wachtwoord moet ten minste 8 tekens en 2 speciale tekens bevatten:
-
Maak in een browser-venster verbinding met de SRM-server en klik vervolgens op Bewerken voor uw systeem.
-
Ga naar het Logingegevens tabblad en activeer
de optie Statuswijzigingen via extern systeem toestaan. -
Voer zelfde gebruikersnaam en wachtwoord in als u onder punt 4 in WebAdmin deed.
-
Start de SRM-agent en zoek uw systeem.
-
Ga terug naar WebAdmin en test de configuratie door op de Verstuur testgebeurtenisbericht knop te klikken.
-> De systeemstatus moet veranderen van Normaal naar Ernstig, en de kleur van blauw naar geel.